Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
16/172 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brieven van 19 november 2014 en 22 december 2014 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De minister heeft de daartegen gerichte bezwaren van appellanten terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/388

Uitspraak

16/172 AW, 16/174 AW

Datum uitspraak: 27 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
25 november 2015, 15/3877 en 15/4027 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] te [woonplaats 1] (appellant 1)

[appellant 2] te [woonplaats 2] (appellant 2)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant 1 heeft mr. F.M. van den Boogerd-Zuijderwijk hoger beroep ingesteld. Namens appellant 2 heeft mr. L.H.W.J. Rutten hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 15 september 2016. Appellant 1 is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Boogerd-Zuijderwijk. Voor appellant 2 is mr. Rutten verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door T.D. Maas en

mr. I.M. Schouten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten zijn destijds in dienst gekomen bij de toenmalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), rechtsvoorganger van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst. Bij brief van 24 december 1999 hebben zij Functioneel Leeftijdsontslag (FLO-)garantie gekregen, kort gezegd inhoudende dat zij bij voortzetting van hun dienstverband bij de BVD op 60-jarige leeftijd de dienst kunnen verlaten in een financiële positie die in materieel opzicht gelijk is aan die welke zij zouden hebben op basis van de eind 1999 geldende FLO-regeling.

1.2.

Bij brief van 1 juli 2014 zijn appellanten geïnformeerd over gewijzigde fiscale regelgeving die gevolgen heeft voor de uitvoering van de FLO. Naar aanleiding van vragen van medewerkers van de minister over de effecten van de gewijzigde regelgeving, heeft de minister hiernaar een onderzoek ingesteld. In dit kader heeft het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) op verzoek van de minister een zevental oud-nieuw berekeningen uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat de uitkomsten van de zeven oud-nieuw berekeningen conform de destijds doorgerekende voorbeelden van de actuarissen van het ABP na 2010 een hoger bruto pensioen opleveren. Het ABP heeft aangegeven geen oud-nieuw berekeningen voor iedere medewerker te willen maken omdat het om een berekening van een niet meer bestaande mogelijkheid van vóór 2010 gaat. De resultaten van dit onderzoek zijn bij voornoemde brief gepresenteerd. Ook is er een bijeenkomst voor de medewerkers gehouden waar een nadere toelichting is gegeven.

1.3.

Bij brief van 28 oktober 2014 heeft appellant 1 en bij brief van 25 november 2014 heeft appellant 2 de minister verzocht om een individuele oud-nieuw berekening, omdat zij de verstrekte informatie ontoereikend en onbetrouwbaar vinden.

1.4.

Bij brieven van 19 november 2014 en 22 december 2014 gericht aan appellant 1, respectievelijk appellant 2, heeft de minister de verzoeken afgewezen en aan appellanten de toezegging gedaan een geanonimiseerde berekening van een met hen vergelijkbare situatie toe te sturen. De hiertegen gemaakte bezwaren zijn bij afzonderlijk aan appellant 1 en appellant 2 gerichte besluiten van 23 april 2015 (bestreden besluiten) niet-ontvankelijk verklaard. De minister heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nu de brieven van 19 november 2014 en 22 december 2014 niet op rechtsgevolg zijn gericht. Evenmin is sprake van een aan een besluit gelijk te stellen handeling als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het geding beperkt is tot de vraag of de minister de bezwaren van appellanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Anders dan appellanten hebben betoogd brengt het al dan niet verstrekken van de gevraagde informatie geen verandering in de rechtsverhouding tussen appellanten en de minister

teweeg. Dat appellanten de gevraagde berekeningen nodig hebben om hun juridische grond te kunnen onderbouwen dat de minister ten aanzien van hen de FLO-garantie (wellicht) niet naleeft, maakt dit niet anders.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb luidt: ‘Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.’

3.2.

Een publiekrechtelijke rechtshandeling is gericht op rechtsgevolg. Anders dan appellanten betogen, is de weigering van de minister om de gevraagde berekeningen te verstrekken niet gericht op enig rechtsgevolg. Het al dan niet verstrekken van deze berekeningen wijzigt de rechtspositie van appellanten niet.

3.3.

Het betoog van appellanten dat zij als gevolg van het niet verstrekken van de gevraagde gegevens in voortdurende onzekerheid verkeren of de minister zijn in 1999 afgegeven

FLO-garantie nakomt en aldus belang hebben bij het verstrekken van de berekeningen, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Dat appellanten belang hebben bij een berekening betekent immers nog niet dat het al dan niet verstrekken van een berekening ingrijpt in de rechtspositie van appellanten en daarmee is gericht op rechtsgevolg. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brieven van 19 november 2014 en 22 december 2014 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De minister heeft de daartegen gerichte bezwaren van appellanten terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3.4.

Uit vorenstaande volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2016.

(getekend) M.T. Boerlage

(getekend) S.W. Munneke

HD