Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4122

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
15/4810 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit het nadere besluit volgt dat het bestreden besluit niet juist is geweest. Om die reden slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Met het nadere besluit is appellant volledig tegemoetgekomen. Dit besluit wordt daarom, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, niet in de beoordeling betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/4810 MPW

Datum uitspraak: 27 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

11 juni 2015, 14/3845 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Spanje (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 14/2640 MPW, plaatsgevonden op

31 maart 2016. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben. Het onderzoek is ter zitting geschorst.

De minister heeft op 17 mei 2016 een nader besluit genomen.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten.

De zaken zijn hierna gesplitst.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1952, ontvangt een militair invaliditeitspensioen vanwege rugletsel dat is ontstaan na een in 1977 in militaire dienst overkomen ongeval.

1.2.

In november 2013 heeft appellant verzocht om in aanmerking te komen voor financiële hulp bij de aankoop van een auto. Bij besluit van 7 februari 2014 heeft de minister dat verzoek afgewezen. Overwogen is dat op basis van de dienstverbandaandoening(en) geen medische indicatie aanwezig is voor financiële hulp bij aankoop van een auto. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Hangende het hoger beroep heeft de minister op 17 mei 2016 een nader besluit genomen. Bij dat besluit is appellant, te rekenen vanaf 1 juni 2016 voor de periode van vijf jaren, alsnog in aanmerking gebracht voor een financiële tegemoetkoming van maximaal € 23.169,- in de aanschafkosten van een auto met hoge instap en automatische transmissie. Verder is aan appellant voor de duur van vijf jaren een maandelijkse tegemoetkoming toegekend voor het gebruiken, onderhouden, verzekeren van de auto, gebaseerd op ten hoogste 10.000 km. Deze bedraagt maximaal € 2.200,- per jaar. Ten slotte is een tegemoetkoming toegekend in de kosten van een woonplaatsservice.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Uit het nadere besluit van 17 mei 2016 volgt dat het bestreden besluit niet juist is geweest. Om die reden slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

5.2.

Met het nadere besluit is appellant volledig tegemoetgekomen. Dit besluit wordt daarom, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, niet in de beoordeling betrokken.

6. Er is aanleiding de minister te veroordelen in de kosten die appellant in beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Appellant heeft aanspraak op vergoeding van reis- en verblijfkosten voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank. De reiskosten worden vastgesteld op € 715,82. De verblijfkosten worden vastgesteld op € 75,70, zijnde twee dagen á € 37,85. De kosten voor het bijwonen van de zitting van de Raad op 31 maart 2016 heeft de Raad al voor vergoeding in aanmerking gebracht bij zijn uitspraak van heden, gegeven in het geding tussen partijen met nummer 14/2640 MPW. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken. De Raad verwijst in dat verband naar overweging 6 van de hiervoor genoemde uitspraak.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 mei 2014;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een

bedrag van € 791,52.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) P.W.J. Hospel

HD