Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4121

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
15/7742 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de stukken blijkt afdoende dat verhouding tussen appellant en gemeentesecretaris in ieder geval ten tijde van het ontslagbesluit zodanig was verstoord dat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk was. Toegekend gewicht aan rapportage van [bedrijf]. Uit vaststellingsovereenkomst komt geen verplichting naar voren om VWNW-traject aan te bieden. Aangeboden regeling passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/5

Uitspraak

15/7742 AW

Datum uitspraak: 27 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

9 oktober 2015, 15/381 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Appingedam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. van de Nadort hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. G. Ham een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Nadort. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Ham en [naam A] .

Het onderzoek is heropend na de zitting.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Nadort. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Kuijken, advocaat. Verder was aanwezig de door de Raad opgeroepen getuige [naam getuige] , [naam functie 1] bij [naam bedrijf] .

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2.

Appellant is op 1 april 2007 aangesteld in de functie van [naam functie 2] bij de [naam gemeente] . Daarnaast was appellant sinds 2010 gemeenteraadslid in [plaatsnaam] .

1.3.

Op 25 april 2013 heeft de gemeentesecretaris, [naam A] [A] ) , een functioneringsgesprek met appellant gevoerd. Uit het van dit gesprek opgemaakte verslag komt naar voren dat appellant, in verband met zijn functioneren en het beeld dat zijn leidinggevende daarover heeft, bereid is om zich heen te kijken naar een andere passende baan buiten de organisatie van de [naam gemeente] .

1.4.

Op 4 oktober 2013 heeft de gemeentesecretaris, in overleg met appellant, [naam getuige] ingeschakeld als externe procesbegeleider om de communicatie tussen hem en appellant te verbeteren in het kader van het realiseren en faciliteren van een loopbaantraject. Hierna hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden tussen de gemeentesecretaris, appellant en [naam getuige] , waarbij onder meer is gesproken over het aangaan van een loopbaantraject waarin een organisatie voor interim professionals het dienstverband van appellant bij de [naam gemeente] overneemt. Tijdens deze gesprekken heeft appellant kenbaar gemaakt alleen voor een vaste aanstelling elders ontslag te willen nemen en dat zijn eerste voorkeur is om, na de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2014, wethouder te worden in [plaatsnaam] .

1.5.

Op 19 december 2013 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, die ziet op de situatie waarin appellant zou worden gekozen tot wethouder in [plaatsnaam] . Na de coalitieonderhandelingen is appellant geen wethouder geworden.

1.6.

[naam getuige] heeft in de door hem opgestelde Rapportage procesbegeleiding van 14 april 2014 geconcludeerd dat het niet is gelukt om de communicatie tussen [A] en appellant over het loopbaantraject zodanig bij te stellen dat dit in een half jaar tot enige vooruitgang heeft geleid. In de rapportage heeft [naam getuige] een aantal voorbeelden van verwijten en beschuldigingen genoemd die appellant aan het adres van [A] zou hebben gedaan, die volgens [naam getuige] duiden op een zeer moeilijke werkverhouding. Gezien de opstelling van appellant verwacht [naam getuige] niet dat deze situatie op korte termijn verandert. Hij heeft daarom zijn opdracht als procesbegeleider teruggegeven en [A] geadviseerd om op een andere manier invulling te geven aan de doelstelling om appellant zijn loopbaan buiten de organisatie voort te laten zetten.

1.7.

Nadat het college op 6 mei 2014 het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant hierover zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft het college bij besluit van 10 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 december 2014 (bestreden besluit), appellant met ingang van 15 juni 2014 eervol ontslag verleend op andere gronden ingevolge artikel 8:8 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), wegens een verstoorde arbeidsrelatie en een impasse. Daarbij is een garantie gegeven op een WW-uitkering, een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, anders dan appellant heeft gesteld, hij geen recht heeft op een Van werk naar werk-traject (VWNW-traject), als bedoeld in de CAR/UWO. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat op 6 mei 2014 de arbeidsverhouding was verstoord. Bovendien is een passende regeling getroffen en is er geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan in de verstoring van de arbeidsverhouding.

3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198) kan de ontslaggrond van artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd, omdat op de datum van het ontslagbesluit sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en/of als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd. Daarbij kan er aanleiding bestaan om bovenop de toegekende uitkeringen een compensatie toe te kennen, indien het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid (uitspraak van

30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2151).

4.2.

Uit de stukken, waaronder de rapportage van [naam getuige] van 14 april 2014, blijkt afdoende dat de verhouding tussen appellant en de gemeentesecretaris in ieder geval ten tijde van het ontslagbesluit zodanig was verstoord dat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk was. Er bestaat onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat door het college aan de rapportage van [naam getuige] geen groot gewicht mag worden toegekend. Weliswaar kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de noodzaak om de in de contacten tussen [naam getuige] en appellant door de laatste gedane uitlatingen jegens [A] en andere functionarissen van de gemeente in de rapportage van 14 april 2014 te vermelden, maar dat doet niet af aan het gegeven dat het college hierdoor wetenschap kreeg van de verstoorde verhouding tussen appellant en de gemeentesecretaris. Ook indien appellant zich niet in exact dezelfde bewoordingen over [A] zou hebben uitgelaten, heeft het college uit de uitlatingen van appellant mogen opmaken dat een vruchtbare samenwerking met [A] niet langer mogelijk was. Uit de omstandigheid dat [naam getuige] thans interimwerkzaamheden verricht voor de [naam gemeente] , zoals door appellant ter zitting is gesteld, kan niet de conclusie worden verbonden dat zijn verklaringen reeds daarom onbetrouwbaar of ongeloofwaardig zijn. Ook in hetgeen [naam getuige] als getuige ter zitting heeft verklaard ziet de Raad geen aanleiding om aan de rapportage van 14 april 2014 geen betekenis toe te kennen.

4.3.

Met de rechtbank en anders dan appellant oordeelt de Raad dat de tussen partijen overeengekomen vaststellingsovereenkomst van 19 december 2013 slechts ziet op de situatie waarin appellant wethouder zou zijn geworden en dat uit deze overeenkomst, noch uit andere in het dossier aanwezige stukken, een verplichting voor het college is af te leiden om appellant een VWNW-traject aan te bieden. Van een toezegging van het college dat appellant niet zou worden ontslagen voordat hij een loopbaantraject had volbracht, is niet gebleken. Met betrekking tot de vraag of appellant herplaatst kon worden binnen de organisatie van de gemeente komt betekenis toe aan de omstandigheid dat [A] en appellant als respectievelijk gemeentesecretaris/directeur en adjunctdirecteur/afdelingshoofd op het hoogste ambtelijke niveau bij de [naam gemeente] werkzaam waren en het daarom niet aannemelijk is dat voor appellant een passende functie binnen de gemeente zou kunnen worden gevonden waarin geen sprake meer zou zijn van directe contacten tussen [A] en hem, zodat in redelijkheid niet van het college verwacht kon worden dat zij deze mogelijkheid nog nader zou onderzoeken.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het college bevoegd was om appellant ontslag op andere gronden te verlenen.

4.5.

Uitgaande van onherstelbaar verstoorde verhoudingen is het vervolgens de vraag of het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot ontslag gebruik heeft gemaakt. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarbij is van belang dat appellant met ingang van

15 juni 2014 is ontslagen met een garantie op een WW-uitkering, een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering. Uit de opstelling en ingenomen standpunten van partijen zoals die uit het dossier naar voren komen, blijkt naar het oordeel van de Raad dat beide partijen hebben bijgedragen aan het ontstaan van de verstoorde verhoudingen. Er zijn in het dossier onvoldoende aanwijzingen voor het oordeel dat sprake was van een overwegend aandeel in de verstoorde verhoudingen van de zijde van het college. De aangeboden regeling moet daarom als passend worden beschouwd. Appellant heeft geen aanspraak op aanvullende compensatie.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6. Op grond van artikel 8:36, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt ten laste van het Rijk aan de door de Raad opgeroepen getuige een vergoeding toegekend overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wet). De te vergoeden reiskosten van getuige [naam getuige] voor het bijwonen van de zitting dienen met toepassing van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van het krachtens de Wet van toepassing zijnde Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Besluit tarieven) te worden gesteld op

€ 36,30. Over de opgegeven verletkosten merkt de Raad op dat in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit tarieven is bepaald dat het tarief voor vergoedingen wegens tijdverzuim van een getuige € 6,81 per uur bedraagt. De Raad stelt het tijdverzuim voor het bijwonen van de zitting (inclusief de tijd besteed aan de reis) op 8 uur, zodat de te vergoeden kosten voor tijdverzuim op 8 x € 6,81 = € 54,48 worden gesteld. De totaal aan de getuige te vergoeden kosten bedragen dan ook € 90,78.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat aan getuige [naam getuige] een vergoeding wordt toegekend van € 90,78, te betalen

door de Staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2016.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A. Mansourova

HD