Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
16/1145 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:70, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning van en overgang naar LFNP-functie. De gegeven motivering op het punt van de matching is niet ontoereikend. De korpschef heeft in het bestreden besluit verwezen naar de uitgangspositie van appellante, de Regeling en de transponeringstabel. Daarmee is afdoende gemotiveerd waarom het resultaat van de matching overeenkomstig de Regeling is geschied en niet anderszins onhoudbaar is te achten. Weliswaar was het beter geweest als de motivering op dit punt wat meer op de persoon van appellante toegesneden was geweest, maar van een motiveringsgebrek kan niet worden gesproken, juist nu de korpschef voor besluitvorming als hier aan de orde in beginsel mag volstaan met een verwijzing naar de transponeringstabel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/1145 AW

Datum uitspraak: 27 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 januari 2016, 14/5528 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2016. Namens appellante is verschenen mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.A.M. Bot en F.J.H. Gunther.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de regelgeving van dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663).

1.2.

De korpschef heeft de uitgangspositie van appellante voor haar toekomstige functie in het kader van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) bepaald op Onderzoeker P-Veiligheid bij het organisatieonderdeel RIO Bureau Veiligheidsonderzoeken (schaal 8). Dit besluit staat in rechte vast.

1.3.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellante besloten per peildatum 31 december 2011 tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van Gespecialiseerd Medewerker B, in het domein Ondersteuning in het vakgebied Gespecialiseerde ondersteuning, met als werkterrein: Veiligheid & Integriteit (schaal 8).

1.4.

Bij besluit van 12 juli 2014 (bestreden besluit) is het hiertegen gemaakte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft betoogd dat de matching niet overeenkomstig de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) is uitgevoerd en onhoudbaar is, omdat niet is gekozen voor het meest vergelijkbare domein, vakgebied en functie. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij als onderzoeker op grond van artikel 60 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 werkzaamheden verricht voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en dat haar werkzaamheden in zoverre een directe bijdrage leveren aan operationele politietaken en primair gericht zijn op de handhaving van de staatsveiligheid. Volgens appellante is zij daarom ten onrechte niet gematcht in het domein Uitvoering, vakgebied Operationeel Specialismen, in de functie van Operationeel Specialist A. Dit betoog slaagt niet.

4.2.

Volgens de beleidsregel Instructie organieke matching (Stcrt. 2012, nr. 10411, zoals nadien gewijzigd, Stcrt. 2013, nr. 12776) (Beleidsregel), voor zover hier van belang, gelden voor de domeinen Uitvoering en Ondersteuning de volgende definities:

“Het domein Uitvoering draagt in de zin van het LFNP bij aan één van de vakgebieden vallend onder dit domein, te weten: Beveiliging, G(ebieds) G(ebonden) P(olitie), Informantenrunner, Intelligence, Interventie, Meldkamer, Observatie, Tactische Opsporing, Forensische Opsporing, Luchtvaart, Intake & Service en Operationeel Specialismen. Het domein Uitvoering levert een directe bijdrage aan operationele politietaken, en staat daarmee in rechtstreeks verband met de handhaving van de rechtsorde (criminaliteitsbestrijding), de openbare orde en veiligheid en/of leefbaarheid in de samenleving.

Het domein Ondersteuning draagt in de zin van het LFNP bij aan één van de vakgebieden vallend onder dit domein, te weten: Bedrijfsvoering Specialismen, Gespecialiseerde Ondersteuning, Administratie en Secretariaat, Scheepvaart, Techniek, H(uisvesting) S(ervices) en M(iddelen), Onderzoek & Kennisontwikkeling en Docenten. Het domein Ondersteuning levert een bijdrage aan een effectief en efficiënt werkende politieorganisatie, terwijl tegelijkertijd geen of een beperkte directe bijdrage wordt geleverd aan operationele politietaken en daarmee niet in rechtstreeks of onvoldoende verband staat met de handhaving van de rechtsorde (criminaliteitsbestrijding), de openbare orde en veiligheid en/of leefbaarheid in de samenleving.”

4.3.

De korpschef heeft ter zitting benadrukt dat is gekozen voor een indeling in het domein Ondersteuning, omdat in appellantes korpsfunctiebeschrijving niet tot uiting komt dat haar werkzaamheden verband houden met de handhaving van de openbare orde, de opsporing van strafbare feiten en criminaliteitsbestrijding. De werkzaamheden van appellante zijn gericht op het screenen van medewerkers, omdat de betrouwbaarheid van politieambtenaren gelet op de bedrijfsvoering van groot belang is. De Raad kan de korpschef volgen. Appellantes functie van Onderzoeker P-Veiligheid is blijkens de korpsfunctiebeschrijving en bijbehorende takenmatrix gericht op het zelfstandig, onder mandaat van de AIVD, uitvoeren van

P-veiligheidsonderzoeken en het voorbereiden van A-veiligheidsonderzoeken, terwijl voorts geen sprake is van het uitvoeren van strafrechtelijke onderzoeken. Niet aannemelijk is geworden dat met deze werkzaamheden, die een ondersteunend karakter hebben, een directe bijdrage wordt geleverd aan operationele politietaken als bedoeld in de Beleidsregel.

4.4.

Appellante heeft er nog op gewezen dat zij in het kader van de personele reorganisatie van de nationale politie het voornemen heeft ontvangen dat zij zal worden herplaatst in de functie van Operationeel Specialist A, gewaardeerd in salarisschaal 9. Echter, zoals de Raad al eerder heeft geoordeeld, heeft de positie van appellante in de op handen zijnde reorganisatie geen betrekking op de overgang naar een functie uit het LFNP, zodat dit bij de onderhavige beoordeling geen rol speelt (vergelijk de uitspraak van 19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4161).

4.5.

Ter zitting is namens appellante aangevoerd dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat een deugdelijke motivering ontbreekt en de korpschef niet inhoudelijk is ingegaan op de door appellante aangevoerde argumenten. Ook dit betoog slaagt niet. De in het bestreden besluit gegeven motivering op het punt van de matching is niet ontoereikend. De korpschef heeft in het bestreden besluit verwezen naar de uitgangspositie van appellante, de Regeling en de transponeringstabel. Daarmee is afdoende gemotiveerd waarom het resultaat van de matching overeenkomstig de Regeling is geschied en niet anderszins onhoudbaar is te achten. Weliswaar was het beter geweest als de motivering op dit punt wat meer op de persoon van appellante toegesneden was geweest, maar van een motiveringsgebrek kan niet worden gesproken, juist nu de korpschef voor besluitvorming als hier aan de orde in beginsel mag volstaan met een verwijzing naar de transponeringstabel.

4.6.

Appellante heeft tot slot betoogd dat de rechtsgrondslag van het bestreden besluit onjuist was, omdat de korpschef de transponeringstabel ten onrechte heeft opgevat als een algemeen verbindend voorschrift. Nu zij heeft moeten procederen om tot een juiste rechtsgrondslag te komen, is appellante van mening dat zij ten minste recht heeft op een proceskostenvergoeding. Dit betoog slaagt evenmin. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4803. Hetgeen appellante daartoe heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2016.

(getekend) M.T. Boerlage

(getekend) S.W. Munneke

HD