Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
15/4043 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Belastbaarheid van appellant niet onderschat. Voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Schending hoorplicht. Vernietiging aangevallen uitspraak met in standlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1074

Uitspraak

15/4043 ZW

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
24 april 2015, 14/9785 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Nouta, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nouta. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft gewerkt als afwasser voor gemiddeld 42,04 uur per week. Op
7 februari 2013 heeft appellant zich ziek gemeld met nekklachten.Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

In het kader van de eerstejaars Ziektewet (ZW) beoordeling heeft appellant op
26 november 2013 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens op basis van een drietal geselecteerde functies berekend dat appellant met passend werk meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 15 januari 2014 vastgesteld dat appellant vanaf 7 maart 2014 (datum in geding) geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 8 september 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 juni 2014 en 4 augustus 2014 ten grondslag en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 september 2014.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de uit zijn lichamelijke en psychische klachten voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij brieven van revalidatiearts E. Los, neurochirurg E. Kurt, van zijn huisarts, van revalidatiearts H.J. Arwert van 31 maart 2016, een teamverslag van Sophia Revalidatie Westeinde en meerdere afspraakbevestigingen voor verschillende soorten revalidatietherapie ingezonden. Appellant heeft aangevoerd dat het na een effectieve behandeling van zijn PTSS beter met hem is gegaan en dat een direct gevolg daarvan is dat hij inmiddels weer werkt, maar dat op de datum in geding van deze effectieve behandeling nog geen sprake was. Appellant heeft erop gewezen dat uit het verslag van revalidatiearts Arwert blijkt dat hij diabetes mellitus heeft, en dat dit de milde neuropathische klachten aan de voeten kan verklaren. Appellant heeft betoogd dat hij deze klachten al had ten tijde van het bestreden besluit. Verder heeft appellant gesteld dat de rechtbank zijn beroepsgrond over het achterwege laten van een hoorzitting ten onrechte niet heeft besproken.

3.2.

Het Uwv heeft gesteld dat deze laatste beroepsgrond slaagt en dat de rechtbank het beroep daarom eigenlijk gegrond had moeten verklaren. Voor het overige heeft het Uwv (inhoudelijke) bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en het in stand laten van de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). Op grond van artikel 19aa, tweede lid, van de ZW bestaat recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop de verzekerde in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.

4.2.

Met de rechtbank bestaat geen aanleiding te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat. Daarbij wordt van belang geacht dat appellant is gezien en lichamelijk en psychisch is onderzocht door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en was bekend met de PTSS-klachten, de nek- en rugklachten en de pijnklachten van appellant. Hij heeft bij zijn beoordeling betrokken dat appellant in afwachting was van behandeling voor zijn PTSS. Bij het psychisch onderzoek heeft de verzekeringsarts bij appellant boosheid en prikkelbaarheid vastgesteld als appellant het over de oude werksituatie heeft en bepaalde angsten. Voor het overige heeft de verzekeringsarts bij dit onderzoek geen bijzonderheden vastgesteld. Beperkingen in verband met de klachten van appellant zijn aangenomen op de aspecten conflicthantering en trillingsbelasting en op verschillende items in de rubrieken dynamische handeling en statische houdingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar en overtuigend uiteengezet dat er geen reden is om meer beperkingen op te nemen dan in de FML van
26 november 2013 zijn neergelegd. Van belang daarbij is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat uit de door appellant in bezwaar overgelegde stukken blijkt dat kennelijk geen sprake is van een nekhernia zoals nog werd aangenomen door de verzekeringsarts. Om die reden kan volgens deze verzekeringsarts dan ook niet aangenomen worden dat de belastbaarheid van appellant zou zijn onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is verder overtuigend ingegaan op een in de bezwaarfase overgelegde brief van revalidatiearts R. Smeets van 13 juni 2013, die heeft geconcludeerd dat sprake is van veel catastrofale attributies en status na PTSS. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep vraagt een neiging tot catastroferen juist niet om bevestiging, maar om het leren verwerven van reële cognities en juiste attributies.

4.3.

De in hoger beroep overgelegde medische informatie heeft geen aanleiding gegeven om tot een ander oordeel te komen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 10 december 2014 overtuigend gesteld dat uitgaande van de klachten van appellant in ruime mate beperkingen zijn aangenomen voor de fysieke belastbaarheid. Zo is appellant beperkt geacht op tillen, dragen, reiken en boven schouderhoogte werken. Deze verzekeringsarts heeft vastgesteld dat de behandelaars van de Kliniek Lange Voorhout kennelijk ook geen beperkingen kunnen objectiveren en dat zij hebben vastgesteld dat de blokwervel zelfs opmerkelijk mobiel is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld dat de MRI van 14 oktober 2014 een herhaling is van de MRI uit 2013 waarop geen myelopathie en geen kanaalstenose werd gezien en ook overigens geen neurologische afwijkingen. In de in hoger beroep overgelegde medische stukken heeft het Uwv geen medische argumenten aangetroffen om een ander standpunt in te nemen. De stukken bevatten gegevens die al bekend waren en door de betrokken verzekeringsartsen zijn meegewogen bij de beoordeling, afgezien van de recent vastgestelde diabetes mellitus. Omdat deze ziekte pas ongeveer twee jaar na de datum in geding is vastgesteld, is daarin evenmin een aanknopingspunt gelegen dat de medische situatie van appellant op de datum in geding is onderschat.

4.4.

De rechtbank wordt eveneens gevolgd in haar oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 5 september 2014 voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het Uwv op goede gronden heeft beslist dat appellant vanaf 7 maart 2014 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de ZW.

5. Niet in geschil tussen partijen is dat de in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde hoorplicht is geschonden en dat daarom de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het inleidend beroep zal alsnog gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Gelet op overwegingen 4.1 en 4.4 zal met toepassing van het derde lid van artikel 8:72 van de Awb worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand blijven.

6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 496,- in bezwaar, € 992,- beroep en op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.480,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 september 2014;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.480,-.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter, in tegenwoordigheid van
N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) N. Veenstra

SS