Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4105

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
15/3642 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pgb voor 2013 op goede gronden lager vastgesteld. Terugvordering. De door appellant aangevoerde omstandigheden maken dan ook niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot lagere vaststelling en terugvordering gebruik heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/3642 AWBZ

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

9 april 2015, 14/4864 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Arnold, advocaat, hoger beroep ingesteld. Bij brief van

11 maart 2016 heeft mr. H.G.B. van der Wal, kantoorgenoot van mr. Arnold, zich gesteld als opvolgend gemachtigde van appellant.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 september 2016 heeft mr. Van der Wal de Raad bericht zich te hebben onttrokken als gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2016. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.G.M. Bosma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2013 een netto persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 22.172,71 voor zorg als bedoeld in het bepaalde bij en krachtens de AWBZ.

1.2.

Het Zorgkantoor heeft appellant bericht over de uitkomsten van een door het Zorgkantoor ingesteld administratief vooronderzoek betreffende het pgb 2013. Het Zorgkantoor heeft het pgb voor 2013 vastgesteld en overwogen dat aan appellante een pgb van € 22.172,71 is verleend, dat een verantwoordingsvrij bedrag geldt van € 332,59 en dat van de door appellant ingezonden verantwoording een bedrag van € 9.586,92 wordt geaccepteerd. Dit betekent dat van appellant een bedrag van € 12.253,20 aan te veel ontvangen voorschotten wordt teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 23 september 2014 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat niet is voldaan aan de verplichtingen in de Rsa, omdat appellant over 2013 geen facturen, geen bankafschriften en geen overzicht inhoudende het tarief en de dagen en uren waarop is gewerkt, heeft overgelegd. Het Zorgkantoor was dus bevoegd om het pgb over het jaar 2013 lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag. Ondanks dat de rechtbank begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin appellant door de ziekte van zijn moeder heeft verkeerd, heeft het Zorgkantoor in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid. Het aan het Zorgkantoor terug te betalen bedrag betreft € 11.878,20.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de bijzondere omstandigheden, waaronder de ziekte van zijn moeder en de verkeerde voorlichting door het Zorgkantoor.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep is tussen partijen enkel in geschil of het Zorgkantoor bij afweging van de relevante belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot de lagere vaststelling van het pgb voor 2013 en tot terugvordering van het door partijen ter zitting van de rechtbank bepaalde bedrag van € 11.878,20.

4.2.

De omstandigheid dat de gezondheidstoestand van appellants moeder heeft geleid tot een chaotische administratie, kan er niet toe leiden dat voorbij wordt gegaan aan de wettelijke eis dat de rechtmatigheid van de besteding van het toegekende pgb objectief moet worden gecontroleerd. Dit is in dit geval niet mogelijk. Appellant had ervoor kunnen kiezen de administratieve verantwoording van het pgb uit te besteden aan een derde. Dat sprake is van verkeerde voorlichting over het verantwoorden van reiskosten, heeft appellant niet nader onderbouwd en is ook overigens niet gebleken. De door appellant aangevoerde omstandigheden maken dan ook niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot lagere vaststelling en terugvordering gebruik heeft kunnen maken.

5. Wat hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de beroepsgronden niet slagen en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) G.J. van Gendt

UM