Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4094

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
15/3573 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het beroepschrift is te laat ingediend bij de rechtbank. Ambtshalve beoordelen. De rechtbank had het beroep van appellant niet-ontvankelijk dienen te verklaren. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het inleidend beroep alsnog niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/3573 WSF

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
24 april 2015, 14/9239 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2016. Namens appellant is [naam] verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 26 januari 2013 heeft de minister de vanaf 1 oktober 2012 aan appellant toegekende studiefinanciering ingetrokken, omdat appellant niet (meer) (voltijds) studeert. Het aan appellant over oktober 2012 tot en met januari 2013 te veel betaalde bedrag van
€ 1.058,72 is daarbij van hem teruggevorderd. Als OV-schuld is een bedrag van € 582,- vermeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 23 juni 2014 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij het bewijs heeft geleverd dat de minister een onjuist besluit heeft genomen en dat op basis van dit bewijs de minister op zijn onjuiste besluit moet terugkomen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In dit geding kan de Raad zich om de navolgende redenen niet uitspreken over het standpunt van appellant als vermeld in 3.

4.2.

Het bestreden besluit is gedagtekend 23 juni 2014. De beroepstermijn voor dit besluit is volgens artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken en vangt ingevolge het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, van die wet aan op 24 juni 2014. De laatste dag van de beroepstermijn is derhalve 4 augustus 2014.

4.3.

Bij beroepschrift, verzonden op 2 oktober 2014, heeft appellant tegen

het besluit van 23 juni 2014 beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus aanzienlijk te laat ingediend.

4.4.

In de aangevallen uitspraak is de rechtbank voorbij gegaan aan de

termijnoverschrijding en ontbreekt een motivering voor de impliciete opvatting dat appellant bij het indienen van het beroepschrift redelijkerwijs niet in verzuim is geweest, zodat
niet-ontvankelijkverklaring op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb achterwege moet worden gelaten.

4.5.

De Raad dient ambtshalve de ontvankelijkheid in beroep te beoordelen, aangezien beroepstermijnen van openbare orde zijn (zie de uitspraken van 4 maart 1997, ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6858, en 23 september 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7873).

4.6.

Namens appellant is ter zitting van de Raad verklaard dat appellant na ontvangst van het bestreden besluit contact heeft opgenomen met de minister om het bewijs te leveren dat hij wel studeerde zodat de minister zijn besluiten in kon trekken. Appellant was daarom niet bezig met het indienen van een beroepschrift en hij wist niet dat hij te laat was met het beroep. Uit deze omstandigheden blijkt geen verschoonbare oorzaak voor de termijnoverschrijding. Appellant had tijdig een voorlopig beroepschrift bij de rechtbank in kunnen dienen en – als zijn pogingen om de minister de overtuigen niet zouden slagen – de gronden later kunnen aanvullen.

4.7.

De rechtbank had het beroep van appellant niet-ontvankelijk dienen te verklaren. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het inleidend beroep alsnog
niet-ontvankelijk.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep alsnog niet-ontvankelijk;

  • -

    bepaalt dat de griffier van de Raad het betaalde griffierecht van € 123,- aan appellant terugbetaalt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

SS