Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4093

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
15/6749 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van een aanvraag om een ZW-uitkering in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het Uwv was dan ook niet gehouden om een besluit te nemen. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde ziekmelding in de WW-aanvraag niet is aan te merken als een aanvraag om een besluit te nemen over de aanspraak van appellant op een ZW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1075
Abkort 2016/392

Uitspraak

15/6749 ZW

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

3 september 2015, 15/1375 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. van der Linden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2016. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 15/4101 ZW en 15/6748 ZW. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.J.H.H. Fuchs. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij brief van 20 februari 2015 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen een passage uit een verweerschrift van het Uwv van 9 februari 2015. Dit verweerschrift had het Uwv ingebracht in het kader van een bij de rechtbank aanhangige procedure – met nummer 14/3715 – tussen appellant en het Uwv (zie ook uitspraak van deze Raad van heden in de zaak met nummer 15/4101 ZW). Deze procedure betrof het weigeren van het Uwv om terug te komen van een besluit, waarin de eerste ziektedag van appellant was bepaald op 30 maart 2010. De passage in het verweerschrift, waartegen appellant bezwaar heeft gemaakt, luidt als volgt:

“Eiser is van mening dat wij hetgeen hij heeft ingevuld op zijn WW-aanvraag ten onrechte niet hebben aangemerkt als een ziekmelding per 31 maart 2009. Deze mening delen wij niet.

Eiser heeft op 28 oktober 2009 uitdrukkelijk een uitkering op grond van de Werkloosheidswet aangevraagd. Niet is in te zien dat wij daaruit hadden moeten afleiden dat hij daarmee beoogde een Ziektewet-uitkering te verkrijgen. Het had dan naar ons oordeel op de weg van eiser gelegen om kenbaar te maken dat hij aanspraak wenste te maken op een
Ziektewet-uitkering. Hij heeft voldaan aan de verplichtingen die de WW hem oplegt en in de periode dat hij WW ontving heeft hij op geen enkele wijze kenbaar gemaakt dat hij ziek was toen hij uit dienst ging bij de werkgever. De stelling van eiser dat wij hebben ‘stilgezeten’ treft naar ons oordeel dan ook geen doel.”

1.2.

Bij besluit van 9 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat de passage uit het verweerschrift niet is gericht op enig (zelfstandig) rechtsgevolg.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv in het verweerschrift van 9 februari 2015 een beslissing heeft genomen over het al dan niet in behandeling nemen van een aanvraag. De door appellant zogenoemde schriftelijke ziekmelding van 28 oktober 2009 betrof immers een door appellant ingediende aanvraag voor een WW-uitkering, die hem bij besluit van 12 november 2009 is toegekend. Als appellant het niet eens was met dit besluit dan had het op zijn weg gelegen daar destijds tijdig bezwaar tegen te maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de passage in het verweerschrift, waartegen appellant bezwaar heeft gemaakt, slechts kan worden gezien als een reactie op de in die procedure aangevoerde beroepsgronden en niet als een schriftelijke beslissing op een aanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank is er dus geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft het Uwv het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de passage in het verweerschrift niet was aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In het verweerschrift van 9 februari 2015 heeft het Uwv voor het eerst te kennen gegeven de ziekmelding in de WW-aanvraag van 28 oktober 2009 niet te beschouwen als een ZW-aanvraag en dus deze aanvraag niet in behandeling te zullen nemen. Dit is volgens appellant een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Daarom is het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 1:3, eerste tot en met derde lid, van de Awb luidt als volgt:

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

4.2.

Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde ziekmelding in de WW-aanvraag van 28 oktober 2009 niet is aan te merken als een aanvraag om een besluit te nemen over de aanspraak van appellant op een ZW-uitkering. Er is daarom geen sprake van een aanvraag om een ZW-uitkering in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het Uwv was dan ook niet gehouden om een besluit te nemen. Verwezen wordt naar de overwegingen hierover in de uitspraak van deze Raad van heden in de zaak met nummer 15/6748 ZW. Van het niet in behandeling nemen van een aanvraag is dan ook geen sprake. De bedoelde passage in het verweerschrift is daarom niet gericht op rechtsgevolg en is ook geen beschikking over een aanspraak van appellant op een ZW-uitkering als bedoeld in het tweede lid van artikel 1:3 van de Awb.

4.3.

De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de betreffende passage in het verweerschrift niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat het Uwv het bezwaar daartegen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.4.

Uit hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en A.I. van der Kris en
E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2016.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) L.L. van den IJssel

UM