Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4092

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
15/4101 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek van appellant om terug te komen van een eerder genomen besluit terecht afgewezen. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1073

Uitspraak

15/4101 ZW

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 mei 2015, 14/3715 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. van der Linden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2016. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 15/6748 ZW en 15/6749 ZW. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.H.H. Fuchs. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van 1 maart 2008 tot en met 31 maart 2009 werkzaam geweest als financieel manager gedurende 36 uur per week. In aansluiting op zijn dienstbetrekking heeft appellant met ingang van 1 april 2009 een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet, uit welke situatie appellant zich met ingang van 30 maart 2010 ziek heeft gemeld. Bij besluit van 6 februari 2012 heeft het Uwv appellant bij einde wachttijd met ingang van 27 maart 2012 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 25 februari 2013 heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering. Bij brief van 22 december 2013 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 6 februari 2012 en uit te gaan van een eerste arbeidsongeschiktheidsdag gelegen voor 1 april 2009.

1.2.

Bij besluit van 31 maart 2014 heeft het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 6 februari 2012 afgewezen. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 30 oktober 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Tegen het bestreden besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat ingevolge vaste rechtspraak een bestuursorgaan bevoegd is om, na een eerdere, onherroepelijk geworden beslissing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen, maar dat dit niet de weg kan openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. De rechtbank dient zich gelet daarop te beperken tot het antwoord op de vraag of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te zien om het oorspronkelijke besluit te herzien. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen nieuwe medische feiten of omstandigheden zijn geobjectiveerd die een teruglegging van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag naar de tijd dat appellant nog in dienst was bij zijn

ex-werkgever, rechtvaardigen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv in de opmerking van de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 11 maart 2014, waarin deze heeft opgemerkt dat het duidelijk is dat appellant psychische klachten had tijdens het dienstverband van appellant bij diens ex-werkgever, aanleiding had behoren te zien terug te komen van het besluit van

6 februari 2012. Voorts is namens appellant ter zitting gewezen op een uitspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3056) op grond waarvan het Uwv volgens appellant gehouden was het besluit van 6 februari 2012 te herzien.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellant van 22 december 2013 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 6 februari 2012. Volgens vaste rechtspraak is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.2.

Wat appellant naar voren heeft gebracht zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, aangezien de psychische klachten waarvan de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 11 maart 2014 melding maakt, geen feiten of veranderde omstandigheden zijn die ná het besluit van 6 februari 2012 zijn voorgevallen, noch feiten of veranderde omstandigheden die zich voor 6 februari 2012 hebben voorgedaan, maar niet voor die datum konden worden aangevoerd. Het Uwv mocht het verzoek van appellant van 22 december 2013 dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 6 februari 2012. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die het Uwv in het onderhavige geval aanleiding hadden moeten geven tot een andere beslissing te komen.

4.3.

Het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 10 november 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3056) treft geen doel. De bijzondere situatie, die zich in deze zaak voordeed, doet zich in het voorliggende geschil niet voor. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

4.4.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en A.I. van der Kris en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2016.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) L.L. van den IJssel

UM