Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4089

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
15/8388 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering teveel betaalde toeslag. grondslag in bezwaar aangevuld. zes mnd. jurisprudentie niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/8388 PW

Datum uitspraak: 25 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 november 2015, 15/4336 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 11 juni 2010 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet.

1.2.

Op een door appellant op 8 juni 2014 ondertekend formulier rechtmatigheidonderzoek heeft appellant aan het college gemeld dat hij over drie bankrekeningen beschikt: twee bankrekeningen bij de Rabobank en een bankrekening bij de ING. De bankrekening bij de ING was niet bij het college bekend. Bij brief van 26 juni 2014 heeft het college appellant verzocht onder meer afschriften over te leggen van deze drie bankrekeningen alsmede uitleg te geven over diverse bijschrijvingen die op de reeds bij het formulier rechtmatigheidsonderzoek gevoegde kopieën van bankafschriften zichtbaar waren. Omdat op de daarna door appellant overgelegde bankafschriften van de ING over de periode 1 juni 2013 tot en met 31 mei 2014 diverse bijschrijvingen van grote bedragen zichtbaar waren, heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 28 november 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

29 december 2014 (besluit 1) de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 mei 2014 te herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 5.659,26 netto van hem terug te vorderen. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen of onjuiste informatie te verstrekken over zijn pensioenuitbetaling over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 januari 2013, zijn verblijven in het buitenland langer dan vier weken over de periode van 26 augustus 2013 tot en met 14 oktober 2013 en 24 december 2013 tot en met 15 januari 2014 en de stortingen op zijn bankrekeningen van de Rabobank en de ING over de periode van 12 juni 2013 tot en met 30 april 2014.

1.4.

Bij besluit van 22 januari 2015 (besluit 2) heeft het college de op dat moment nog openstaande vordering over het jaar 2014 gebruteerd en de totale resterende vordering over 2014 vastgesteld op € 2.104,48.

1.5.

Bij besluit van 28 januari 2015 (besluit 3) heeft het college besluit 1 gecorrigeerd, in die zin dat het college de hoogte van de terugvordering heeft verlaagd naar € 5.136,17.

1.6.

Bij besluit van 11 mei 2015 (besluit 4) heeft het college in verband met een herberekening van de stortingen op de eigen rekeningen en de aanpassing van de vakantieperiodes besluit 3 gecorrigeerd, in die zin dat het college de hoogte van de terugvordering heeft verlaagd naar € 3.659,32 netto.

1.7.

Bij besluit van 18 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar van appellant tegen

besluit 2 gedeeltelijk gegrond verklaard, het bezwaar van appellant tegen besluit 3

niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van appellant tegen besluit 4 gegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft het college, in aanvulling op wat reeds in besluit 1 en 2 aan de herziening en de terugvordering ten grondslag is gelegd, gesteld dat appellant over de periode van 16 januari 2014 tot en met 14 maart 2014 ten onrechte een gemeentelijke toeslag van 20% in plaats van 10% bovenop de basisnorm heeft ontvangen. Het college heeft het totale netto terugvorderingsbedrag bepaald op € 3.659,32. Verhoogd met de daarover afgedragen belasting en premies komt het totaal van appellant terug te vorderen bedrag op

€ 5.215,83 bruto.

1.8.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In reactie op de beroepsgronden heeft het college aan de rechtbank medegedeeld dat zijn in het bestreden besluit ingenomen standpunt wordt gewijzigd, in die zin dat het college afziet van brutering van de vordering. Het college heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren en de totale netto terugvordering te bepalen op € 3.659,31, zijnde € 0,01 lager dan het

nettobedrag dat in het bestreden besluit staat vermeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de besluiten 1, 2, 3 en 4 herroepen, bepaald dat de bijstandsuitkering van appellant over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 mei 2014 wordt herzien en dat de kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 3.659,31 van appellant worden teruggevorderd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, omdat het college te kennen heeft gegeven af te zien van brutering van de terugvordering. De rechtbank heeft verder overwogen dat het terugvorderingsbedrag in het bestreden besluit ten onrechte op € 3.659,32 is bepaald. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het terugvorderingsbedrag vast te stellen op € 3.659,31. Bij de vaststelling van het terugvorderingsbedrag heeft de rechtbank gebruikgemaakt van een door het college hangende de beroepsfase overgelegde berekening waarbij per maand een berekening is gemaakt van het verschil tussen de ontvangen bijstand en de bijstand waarop recht bestaat. Uit dit overzicht, waarop appellant heeft kunnen reageren, is volgens de rechtbank afdoende gebleken dat appellant over de periode van 1 augustus 2013 tot en met 31 mei 2014 te veel gemeentelijke toeslag heeft ontvangen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil beperkt zich in hoger beroep tot de terugvordering van de aan appellant over de periode van 1 augustus 2013 tot en met 31 mei 2014 teveel betaalde gemeentelijke toeslag tot een bedrag van € 1.265,91.

4.2.

Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het college in besluit 1 en ook in zijn daaropvolgende correctiebesluiten niet heeft vermeld dat de herziening en terugvordering ook zagen op teveel betaalde gemeentelijke toeslag. Eerst in het bestreden besluit is dit onderdeel bij de herziening en de terugvordering betrokken. Appellant acht dit in strijd met de zorgvuldigheid en het verbod van reformatio in peius.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het college in de primaire besluitvorming heeft nagelaten een grondslag te geven voor de herziening en terugvordering van € 1.265,91 ter zake van de in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 31 mei 2014 teveel betaalde gemeentelijke toeslag. Appellant kan evenwel niet worden gevolgd in zijn betoog dat dit onderdeel van de herziening en terugvordering om die reden in strijd met de zorgvuldigheid of het verbod van reformatio in peius is betrokken in het bestreden besluit. Artikel 7:11 van de Awb staat niet in de weg aan de handhaving in bezwaar van een primair besluit (deels) op een andere grondslag dan die waarop dat primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging. Het college heeft in de primaire besluitvorming, zoals ook blijkt uit de door het college hangende de beroepsfase overgelegde berekening en de opmerking over de huisvesting van appellant in een rapportage van 24 december 2014, bij de berekening van het terugvorderingsbedrag het bedrag aan te veel betaalde gemeentelijke toeslag wel meegenomen, maar verzuimd in

besluit 1 daarvoor de grondslag te geven. Nu de terugvordering van € 1.265,91 aan te veel betaalde gemeentelijke toeslag feitelijk reeds deel uitmaakte van het terugvorderingsbedrag in de primaire besluitvorming, kan niet worden geoordeeld dat appellant door het maken van bezwaar in een nadeliger positie terecht is gekomen.

4.4.

Voorts heeft appellant een beroep gedaan op de zogeheten zesmaandenjurisprudentie, omdat de terugvordering van de gemeentelijke toeslag niet het gevolg is van het schenden van de inlichtingenverplichting.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De zesmaandenjurisprudentie houdt volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3180) in dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan om kosten van bijstand terug te vorderen in de tijd wordt beperkt indien niet adequaat wordt gereageerd op signalen van een betrokkene waaruit kan worden afgeleid dat te veel of ten onrechte bijstand wordt verstrekt. Na een dergelijk signaal heeft het bestuursorgaan nog zes maanden om tot actie over te gaan. Onder een signaal dient in dit verband te worden verstaan relevante informatie van de belanghebbende, waaruit concreet kan worden afgeleid dat er sprake is van een fout op grond waarvan het bestuursorgaan actie dient te ondernemen. Over de periode gelegen na die zes maanden kan dan niet meer gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel. Nu het college zelf de gemaakte fout heeft ontdekt en van een signaal van appellant geen sprake is, bestaat geen aanleiding toepassing te geven aan deze jurisprudentie.

5. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2016.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) J. Tuit

HD