Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4083

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
12/4685 CSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv wettelijke rente is verschuldigd aan betrokkene over de periode tussen de betaling en de terugbetaling van het te veel betaalde bedrag.

Nu het Uwv de eerder in 2004 vastgestelde premienota’s en boetebesluiten heeft herzien en nader vastgesteld op lagere bedragen moet geconcludeerd worden dat uit de besluiten van 28 januari 2011 voor het Uwv een betalingsverplichting jegens betrokkene voortvloeit. Deze betalingsverplichting is vastgesteld en ontstaan na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat artikel 4:102 van de Awb van toepassing is op deze betalingsverplichting van het Uwv. Het Uwv is op grond van artikel 4:102 van de Awb verplicht is tot vergoeding van wettelijke rente aan betrokkene. Gezien de verplichting tot betaling van wettelijke rente is er voldoende aanleiding om, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, te bepalen dat het Uwv aan betrokkene de wettelijke rente dient te vergoeden over het bedrag van € 40.140,62 over de termijn tussen de betaling ervan door betrokkene en de terugbetaling aan betrokkene.

12/4685 CSV

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:102
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/416
NJB 2016/2014
O&A 2017/13

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 juli 2012, 11/5496 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] wonende te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 21 oktober 2016

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. G.F. Storm, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R.H. Min. Namens betrokkene is verschenen mr. Storm.

Na de zitting is het onderzoek heropend.

Partijen hebben vervolgens bij brieven van 21 en 26 september 2016 toestemming gegeven voor afdoening van de zaak zonder nadere zitting.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is – samen met de heer [naam medefirmant] – firmant geweest van [naam uitzendbureau] ( [VOF] ) te [vestigingsplaats] . In 2004 zijn aan [VOF] door de Belastingdienst en het Uwv naheffingsaanslagen, premienota’s en boetebesluiten opgelegd over de jaren 2002 en 2003. [VOF] is op 22 juli 2005 beëindigd.

1.2.

Naar aanleiding van het namens betrokkene gemaakte bezwaar heeft de Belastingdienst de naheffingsaanslagen over 2002 en 2003 verminderd van € 42.056,- naar € 4.350,-.

1.3.

Betrokkene heeft op 5 oktober 2010, onder verwijzing naar de beslissing van de Belastingdienst, aan het Uwv verzocht om herziening van de aan [VOF] opgelegde premienota’s en boetebesluiten over 2002 en 2003.

1.4.

Bij besluiten van 28 januari 2011 heeft het Uwv de premienota’s en boetebesluiten over 2002 en 2003 herzien en verminderd met een totaalbedrag van € 40.140,62.

1.5.

Bij brief van 17 mei 2011 heeft betrokkene verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over het bedrag van € 40.140,62.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 7 december 2011 heeft het Uwv zijn besluit van 24 juni 2011 gehandhaafd, waarbij het verzoek van betrokkene om vergoeding van de wettelijke rente over het als gevolg van de herziene premienota’s en boetebesluiten terug te ontvangen bedrag is afgewezen.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat in dit geval sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:102, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2003/2004, 29702, nr. 3, p. 50/51) bij dit artikel valt daaronder de situatie dat een bestuursorgaan een beschikking waarbij een betalingsverplichting is vastgesteld, nadat deze formele rechtskracht heeft verkregen, met terugwerkende kracht intrekt of wijzigt in het voordeel van de burger. Indien dergelijke ambtshalve correcties leiden tot een teruggaaf van het door de burger te veel betaalde bedrag, dan moet ook de wettelijke rente worden vergoed. Dat betekent dat het Uwv gehouden is over de periode tussen de betaling en de terugbetaling de wettelijke rente te vergoeden over het te veel betaalde bedrag. Uit de bewoordingen en strekking van het artikel vloeit voort dat de reden van het Uwv om tot wijziging van de nota’s over te gaan niet van belang is. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens is het Uwv veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.

3.1.

Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat artikel 4:102 van de Awb niet van toepassing is in dit geval nu de oorspronkelijke besluiten, die zijn herzien in 2011, zijn genomen voor de inwerkingtreding van dit artikel op 1 juli 2009. Voorts heeft het Uwv aangevoerd dat, voor zover moet worden aangenomen dat artikel 4:102 van de Awb wel van toepassing is, het vierde lid van dit artikel geen onvoorwaardelijk recht geeft op een vergoeding van wettelijke rente, omdat in de memorie van toelichting is vermeld dat de vergoeding van wettelijke rente ‘in beginsel’ dient plaats te vinden. Volgens het Uwv ligt in die woorden besloten dat van betrokkene had mogen worden verwacht dat hij maatregelen zou treffen tot beperking van zijn schade. Daarbij heeft het Uwv verwezen naar rechtspraak van de Raad en met name de uitspraak van 15 december 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AU8983).

3.2.

Namens betrokkene is aangevoerd dat hij zich geheel kan verenigen met het oordeel van de rechtbank. Voorts is verzocht om zelf in de zaak voorziend te bepalen welk bedrag aan wettelijke rente het Uwv aan betrokkene dient te betalen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv wettelijke rente is verschuldigd aan betrokkene over de periode tussen de betaling en de terugbetaling van het te veel betaalde bedrag van € 40.140,62.

4.2.

Ten aanzien van dit geschilpunt wordt voorop gesteld dat in artikel 4:102 van de Awb vanaf 1 juli 2009 het volgende is bepaald:

“1. Indien een betaling aan het bestuursorgaan is geschied op grond van een beschikking die in bezwaar of in beroep is gewijzigd of vernietigd, is het bestuursorgaan over de termijn tussen de betaling en de terugbetaling wettelijke rente verschuldigd over het te veel betaalde bedrag.

2. Indien een afwijzende beschikking tot betaling door het bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling, is het bestuursorgaan wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.

3. Wettelijke rente is niet verschuldigd voor zover de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan wel aan de belanghebbende is toe te rekenen dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.

4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling met terugwerkende kracht wijzigt of intrekt.”

Voorts is in artikel III, eerste lid, van de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb (Stb. 2009, 264) bepaald dat op een verplichting tot betaling van een geldsom aan of door een bestuursorgaan – die is vastgesteld of ontstaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet – het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing is.

4.3.

Nu het Uwv bij besluiten van 28 januari 2011 de eerder in 2004 vastgestelde premienota’s en boetebesluiten heeft herzien en nader vastgesteld op lagere bedragen moet geconcludeerd worden dat uit de besluiten van 28 januari 2011 voor het Uwv een betalingsverplichting jegens betrokkene voortvloeit. Deze betalingsverplichting is vastgesteld en ontstaan na het tijdstip van inwerkingtreding van de hiervoor genoemde Wet van 25 juni 2009. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat artikel 4:102 van de Awb van toepassing is op deze betalingsverplichting van het Uwv.

4.4.

Voor zover de bestuursrechter geroepen wordt een oordeel te geven over gestelde schade die is geleden in een bestuursrechtelijke betrekking, wordt volgens vaste rechtspraak overeenkomstige toepassing gegeven aan de Afdelingen 10 en 11 van Titel 1 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Met de invoering van Afdeling 4.4.2 van de Awb heeft de wetgever specifiek voor de vaststelling van schadevergoeding die is verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom een eigenstandige regeling in de Awb opgenomen, waarbij in artikel 4:102 van de Awb een regeling is gegeven voor de situatie dat een betalingsverplichting ontstaat van een bestuursorgaan jegens een belanghebbende als gevolg van een wijziging of een vernietiging van een beschikking.

4.5.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat in dit geval sprake is van een situatie als bedoeld in het vierde lid van artikel 4:102 van de Awb. In de memorie van toelichting is over de betekenis van dit artikellid onder meer het volgende vermeld:

“Het vierde lid ziet op de situatie dat het bestuursorgaan, nadat een besluit waarbij een betalingsverplichting is vastgesteld formele rechtskracht heeft gekregen, met terugwerkende kracht deze betalingsverplichting in het voordeel van de burger wijzigt of intrekt. Ook zulke ambtshalve correcties kunnen leiden tot een teruggaaf van het door de burger te veel betaalde bedrag of door een nabetaling aan de burger. Op grond van het vierde lid moet het bestuursorgaan ook in die gevallen in beginsel wettelijke rente vergoeden. De termijn waarover die rente verschuldigd is, moet met behulp van het eerste en tweede lid van dit artikel worden bepaald.

Wettelijke rente is volgens het derde lid echter niet verschuldigd voor zover het wijzigen van de betalingsverplichting wordt veroorzaakt door het feit dat de burger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan wel aan hem is toe te rekenen dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, waardoor de beschikking waarbij de betalingsverplichting is vastgesteld onjuist was. Het risico van een onjuiste aanvraag of van onjuiste gegevensverschaffing is daarmee voor rekening van de belanghebbende.”

Uit de tekst van en toelichting bij artikel 4:102, vierde lid, van de Awb vloeit voort dat op grond van dit artikellid een verplichting bestaat tot het vergoeden van wettelijke rente indien besloten wordt tot wijziging of intrekking van een beschikking tot betaling met terugwerkende kracht. Deze verplichting heeft betrekking op het gehele tijdvak tussen de betaling en de terugbetaling van het – achteraf bezien – onverschuldigd betaalde bedrag. Een verplichting tot betaling van wettelijke rente bestaat op grond van het derde lid van artikel 4:102 van de Awb alleen niet in gevallen waarin een betrokkene onjuiste en of onvolledige gegevens heeft verstrekt en als gevolg daarvan een bestuursorgaan een besluit heeft genomen dat later gewijzigd of ingetrokken moet worden, als de juiste gegevens bekend zijn geworden. Een zodanige situatie is in dit geval gesteld noch gebleken. Dit betekent dat het Uwv op grond van artikel 4:102 van de Awb verplicht is tot vergoeding van wettelijke rente aan betrokkene.

4.6.

Naar aanleiding van de opmerkingen van het Uwv over de uitleg van artikel 4:102, vierde lid, van de Awb wordt nog overwogen dat bestuursorganen bevoegd zijn om terug te komen van eerder vastgestelde rechtens onaantastbaar geworden besluiten. Daarbij zijn bestuursorganen ook bevoegd om de mate van terugwerkende kracht van besluiten waarbij een terugbetalingsverplichting van het bestuursorgaan ontstaat op enigerlei wijze te beperken. Wanneer een bestuursorgaan echter gebruik maakt van de bevoegdheid om met volledige terugwerkende kracht terug te komen van een eerder genomen besluit, al dan niet in afwijking van het eigen beleid of alleen uit coulance, dan biedt artikel 4:102, vierde lid, van de Awb geen grondslag voor een beperking van de verplichting tot vergoeding van de wettelijke rente. Dit laat onverlet dat er, mede gelet op het feit dat in de memorie van toelichting enige keren wordt gesproken over ‘in beginsel’, sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven deze verplichting te beperken, doch zodanige omstandigheden zijn in dit geval gesteld noch gebleken.

4.7.

Ten slotte wordt naar aanleiding van de door het Uwv genoemde rechtspraak van de Raad, zoals laatstelijk nog verwoord in de uitspraken van 19 juni 2015 en 3 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2207 en ECLI:NL:CRVB:2015:2190) die zijn gewezen onder het voor 1 juli 2009 geldende recht, opgemerkt dat deze rechtspraak niet geldt voor gevallen waarin het vierde lid van artikel 4:102 van de Awb van toepassing is.

4.8.

Wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden, met uitzondering van de daarin gegeven opdracht aan het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de verplichting tot betaling van wettelijke rente is er voldoende aanleiding om, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, te bepalen dat het Uwv aan betrokkene de wettelijke rente dient te vergoeden over het bedrag van € 40.140,62 over de termijn tussen de betaling ervan door betrokkene en de terugbetaling aan betrokkene.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, bestaande uit kosten voor rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 992,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin aan het Uwv een opdracht is gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

  • -

    herroept het besluit van 24 juni 2011, bepaalt dat het Uwv aan betrokkene wettelijke rente dient te vergoeden over het bedrag van € 40.140,62 over de termijn tussen de betaling ervan door betrokkene en de terugbetaling aan betrokkene en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 24 juni 2011;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 992,-;

  • -

    bepaalt dat van het Uwv een griffierecht wordt geheven van € 466,-.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.E. Bakker als leden in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2016.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) M.S.E.S. Umans

IvR