Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4046

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
16/317 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Niet verschijnen op oproep voor gesprek. Dat appellant geen kennis heeft genomen van aangetekende brief van het college komt voor rekening en risico van appellant. Geen afwijking van de hoofdregel. Niet ophalen poststuk is voor risico van ontvanger.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/441
ABKort 2016/404
NJB 2016/2076

Uitspraak

16/317 PW

Datum uitspraak: 25 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

4 december 2015, 15/1628 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Deventer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Post, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2016. Appellant is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Post. Het college heeft zich, eveneens daartoe ambtshalve opgeroepen, laten vertegenwoordigen door F.L.H. Deuzeman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds januari 2007 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand heeft het college hem bij brief van 21 augustus 2014 verzocht om een heronderzoeksformulier in te vullen en dit met bankafschriften te retourneren voor

26 september 2014. Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft het college het recht op bijstand opgeschort vanaf 26 september 2014 op de grond dat appellant de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Daarbij heeft het college appellant verzocht de gevraagde gegevens alsnog voor 17 oktober 2014 over te leggen. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij het formulier en bijlagen per post had verzonden. De consulent had echter niets ontvangen. Hierop is appellant een nieuw heronderzoeksformulier toegezonden, dat hij op 17 oktober 2014 zou inleveren. Op 17 oktober 2014 heeft appellant zijn inkomensconsulent laten weten dat hij was aangevallen in zijn garagebox, dat hij aangifte moest doen en dat hij niet in staat was het formulier tijdig in te leveren. Hij zou het formulier maandag 20 oktober 2014 inleveren. Toen op die datum niets was ontvangen, heeft de inkomensconsulent de voicemail van appellant ingesproken en hem op 24 oktober 2014 een e-mail verzonden met het verzoek de gevraagde gegevens voor 30 oktober 2014 in te leveren. Hierop heeft appellant niet gereageerd. Bij brief van 3 november 2014 heeft het college appellant nogmaals verzocht om voor

10 november 2014 het heronderzoeksformulier en de gevraagde bankafschriften in te leveren. Op 10 november 2014 heeft appellant het formulier en een aantal bankafschriften ingeleverd. Het college heeft appellant vervolgens bij brief van 10 november 2014 uitgenodigd voor een gesprek op 20 november 2014, waarbij hem is verzocht gegevens mee te nemen. Appellant is zonder bericht van verhindering niet verschenen op deze afspraak. Bij aangetekende verzonden brief van 20 november 2014 heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld zijn verzuim te herstellen op 2 december 2014. Op deze afspraak is appellant ook zonder bericht van verhindering niet verschenen.

1.2.

Bij besluit van 2 december 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 26 september 2014 ingetrokken. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan zijn inlichtingen- en medewerkingsverplichting. Bij besluit van 9 december 2014 heeft het college de over de periode van 26 september tot en met

30 september 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 158,61 van appellant teruggevorderd. Ook heeft het college appellant hierbij een boete van € 160,- opgelegd, omdat hij zich niet aan de inlichtingenverplichting heeft gehouden.

1.3.

Bij besluit van 22 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2014 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het besluit van

9 december 2014 is gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft dit besluit herroepen in die zin dat de boete is vastgesteld op € 80,-. Voor het overige heeft het college het besluit van 9 december 2014 in stand gelaten. Appellant heeft in bezwaar gesteld dat hij de aangetekende brief van 20 november 2014 niet heeft ontvangen. Hij heeft een bericht van PostNL ontvangen over de aangetekende zending, maar hierop is niet duidelijk aangegeven wat daarmee is gebeurd. Navraag bij het postkantoor leverde niets op. In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bericht van PostNL weliswaar niet duidelijk was, maar dat appellant meer had moeten doen om te achterhalen waar het poststuk was gebleven. Het niet tijdig ontvangen van de uitnodiging voor het gesprek moet daarom voor risico van appellant komen. Hierbij heeft het college ook van belang geacht dat al in augustus 2014 is verzocht om toezending van het heronderzoeksformulier en bankafschriften en dat appellant vanaf 26 september 2014 ondanks herhaald verzoek niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat van appellant verwacht had mogen worden dat hij naar aanleiding van het bericht van PostNL meer actie had ondernomen, zoals het raadplegen van Track&Trace op de website van PostNL.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij voldoende moeite heeft gedaan om het poststuk te achterhalen en dat het niet afhalen van de aangetekende brief niet voor zijn risico moet blijven. Aangezien het poststuk volgens de medewerker van het postkantoor niet daar lag, had het raadplegen van Track&Trace geen zin gehad. Verder heeft appellant twee e-mails aan zijn inkomensconsulent gestuurd, op 24 en 28 november 2014, waaruit blijkt dat hij de brieven van 10 november 2014 en 20 november 2014 niet had ontvangen. Als de inkomensconsulent hier tijdig op had gereageerd, had appellant op de afspraak kunnen verschijnen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 26 september 2014 tot en met 2 december 2014.

4.2.

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of het appellant is aan te rekenen dat hij niet op het gesprek van 2 december 2014 is verschenen. In verband daarmee staat ter beoordeling voor wiens rekening en risico moet komen dat appellant geen kennis heeft genomen van de uitnodiging voor het gesprek bij aangetekende brief van 20 november 2014.

4.3.

PostNL heeft de brief van 20 november 2014 tweemaal aangeboden bij appellant. Op het bericht van 24 november 2014 staat dat PostNL heeft geprobeerd een zending waarvoor getekend moet worden bij appellant af te leveren. Bij afzender staat “Gem Dev”. Tussen de mededeling dat de zending retour is gestuurd en de mededeling dat de zending gedurende drie weken kan worden opgehaald bij het postkantoor staat een kruisje. PostNL heeft de aangetekende brief op 17 december 2014 retour gezonden aan het college, met de mededeling dat deze niet was afgehaald.

4.4.

Indien een poststuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het poststuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat poststuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende.

4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wat appellant heeft aangevoerd, onvoldoende is om af te wijken van deze regel. Niet in geschil is dat appellant wist dat het poststuk waarover hij bericht ontving afkomstig was van de gemeente Deventer. Gezien het lopende onderzoek had appellant het mogelijke belang hiervan duidelijk moeten zijn. Het bericht van PostNL is weliswaar niet eenduidig, maar het lag gelet op 4.4 op de weg van appellant om informatie in te winnen over wat met het poststuk was gebeurd. Appellant heeft weliswaar aangegeven dat hij naar het poststuk heeft geïnformeerd bij het postkantoor en dat hem toen werd meegedeeld dat het poststuk daar niet aanwezig was, doch hij heeft dit niet onderbouwd met verifieerbare stukken. Dit klemt te meer, nu uit nader verkregen informatie van PostNL is gebleken dat het poststuk eerst op 17 december 2014 retour naar de afzender is verzonden. Van appellant had gevergd mogen worden dat hij Track&Trace zou hebben geraadpleegd om na te gaan waar het poststuk zich bevond of dat hij actiever navraag had gedaan bij het college. De e-mails van

24 en 28 november 2014, waarbij appellant zijn inkomensconsulent te kennen heeft gegeven dat hij niets had gehoord in vervolg op het inleveren van het rechtmatigheidsformulier op

10 november 2014, doen hier niet aan af. Appellant heeft per e-mail van 28 november 2014 onder meer het volgende te kennen gegeven: “De enige bericht dat ik heb, is een papiertje van de PostNL dat zij geprobeerd hebben een brief van gemeente Deventer af te leveren, maar dat het is geretourneerd.” Dat de inkomensconsulent hierop niet heeft gereageerd is begrijpelijk, gelet op de voorgeschiedenis en aangezien hij ervan uit kon gaan dat de brief nog op het postkantoor lag.

4.6.

Appellant heeft niet bestreden dat als gevolg van het niet verschijnen op het gesprek van 2 december 2014 het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het college was dan ook gehouden om met toepassing van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW de bijstand in te trekken. Tegen de terugvordering en de boete heeft appellant geen zelfstandige gronden gericht, zodat deze geen bespreking behoeven.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om vergoeding van schade bestaat daarom geen grond.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD