Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
15/8567 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand energierekening. geen medische noodzaak. geen bijstand voor schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/8567 WWB

Datum uitspraak: 25 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
19 november 2015, 15/4466 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Westland (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2016. Namens appellante is [naam zoon] , zoon van appellante, verschenen. Voorts is verschenen de door [naam zoon] meegebrachte getuige [naam getuige] . Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 3 september 2013 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor energiekosten.

1.2.

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat deze kosten niet als medisch noodzakelijk zijn aan te merken. Daarbij heeft het college de aanvraag van appellante, na daarover telefonisch contact met appellante te hebben gehad, geduid als een aanvraag voor vergoeding van extra stookkosten.

1.3.

Hangende de bezwaarprocedure heeft D.A. Opstelten, arts en werkzaam voor

Van Brederode BV, in opdracht van het college, op 26 augustus 2014 een medisch advies uitgebracht. Door de arts is onder meer overwogen dat ook de behandelaar van appellante van mening is dat de schildkierfunctie van appellante niet van dien aard is dat zij zich niet met extra kleding warm kan houden.

1.4.

Bij besluit van 11 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 oktober 2013 ongegrond verklaard. Voor zover het betreft de afwijzing van de vergoeding voor extra stookkosten heeft het college zich gebaseerd op het advies van de arts van 26 augustus 2014. Voor zover de aanvraag mede betrekking heeft op de eindafrekening energiekosten heeft het college toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit het aanvraagformulier van 3 september 2013, noch uit het bezwaar- en beroepschrift blijkt dat de aanvraag mede omvat een aanvraag om bijzondere bijstand voor de vergoeding van kosten van extra bewassing. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Vergoeding voor extra stookkosten

4.2.

Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.3.

De gevraagde extra stookkosten worden tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten gerekend. Deze kosten dienen in beginsel uit een inkomen op bijstandsniveau te worden bestreden, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat haar gezondheid sinds 2015 is verslechterd. Zij heeft erop gewezen dat het advies van de arts van 26 augustus 2014 verouderd is, en dat dit niet kan dienen als grondslag van het bestreden besluit. Deze grond slaagt niet. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het advies van 26 augustus 2014 van de arts op deugdelijke wijze tot stand is gekomen. Van betekenis is in dit verband dat het advies is gebaseerd op eigen onderzoek door de arts en dat daarbij rekening is gehouden met de aandoeningen van appellante en dat de arts inlichtingen van de eigen huisarts van appellante bij zijn beoordeling heeft betrokken. Een eventuele verslechtering van de gezondheid van appellante in 2015 maakt niet dat het advies van de arts met betrekking tot de hier aan de orde zijnde aanvraag niet kan worden gevolgd.

4.5.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat extra stoken medisch noodzakelijk is. Het college heeft daarom terecht geoordeeld dat de kosten waarvoor bijstand is gevraagd, niet noodzakelijk zijn en heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor extra stookkosten daarom terecht afgewezen.

4.6.

Voorts heeft appellante een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Getuige [naam getuige] heeft in dit verband verklaard dat “de gemachtigde van het college heeft verklaard dat in het algemeen bij mensen met een reumatische aandoening extra warmte medisch noodzakelijk is.” Naar vaste rechtspraak voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Van een dergelijke toezegging is hier niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.

De eindrekening van Greenchoice van € 190,31,-

4.7.

De aanvraag in de kosten van de eindafrekening moeten worden beschouwd als een aanvraag om bijstand voor aflossing van schulden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij het ontstaan van de gestelde schuldenlast, dan wel nadien, niet beschikte over de middelen om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien, zodat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB in beginsel een beletsel vormt voor (bijzondere) bijstandverlening.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD