Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4041

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
15/3110 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag dakloze twee keer afgewezen. Geen medewerking huisbezoek. Niet voldaan aan verplichting om dagelijks verblijfslocatie door te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/3110 WWB, 15/3114 WWB

Datum uitspraak: 25 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 31 maart 2015, 14/5428 (aangevallen uitspraak 1) en 14/5429 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend en - desgevraagd - nog een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft - gevoegd - plaatsgevonden op 13 september 2016. Namens appellant is mr. Klaas verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Dijkman Dulkes-Wan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 29 juli 2014 heeft appellant een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand ingediend. Hierbij heeft appellant vermeld dat hij dakloos is geworden, dat hij in de maand juni 2014 verblijf had bij [naam 1] in [gemeente] en dat hij vanaf 1 juli 2014 verblijf houdt op Camping [camping] (camping) of bij [naam 2] (D) op het adres [adres] . Op 29 juli 2014 heeft appellant voorts het formulier “ [postadres] ” ondertekend.

1.2.

Op 22 augustus 2014 heeft een medewerker van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Haarlem telefonisch contact met appellant gehad. Daarbij heeft appellant meegedeeld dat hij op dat moment op het adres [adres] verbleef. In aansluiting hierop zijn twee medewerkers van de afdeling Handhaving van de gemeente Haarlem (handhavingsmedewerkers) naar dat adres gegaan om een huisbezoek af te leggen. Volgens het e-mailverslag van het huisbezoek van 26 augustus 2014 heeft appellant op het verzoek van de medewerkers om zijn slaapplek te bekijken te kennen gegeven dat slechts één medewerker mee naar binnen mocht. Hierop hebben de medewerkers appellant meegedeeld dat huisbezoeken altijd door twee personen worden afgelegd, dat appellant het huisbezoek mag weigeren, maar dat het weigeren gevolgen kan hebben voor zijn aanvraag. Hierop heeft appellant geantwoord dat dan maar af te wachten. Het huisbezoek heeft vervolgens niet plaatsgevonden.

1.3.

Bij besluit van 26 augustus 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 november 2014 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing is ten grondslag gelegd dat appellant heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een huisbezoek door twee medewerkers ter controle van het opgegeven feitelijke verblijfsadres. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2.1.

Op 29 augustus 2014 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Hierbij heeft appellant vermeld dakloos te zijn en te verblijven op de camping, bij D op het adres [adres] of op een bosplek in [woonplaats] . Op 29 augustus 2014 heeft appellant opnieuw het formulier “ [postadres] ” ondertekend.

2.2.

Een rapporteur van de afdeling Schulddienstverlening/Handhaving van de hoofdafdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Haarlem (rapporteur) heeft naar aanleiding van deze aanvraag een onderzoek ingesteld naar de woon- en verblijfssituatie van appellant. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport “Locatiebezoeken WWB” van 11 september 2014. Hieruit komt naar voren dat appellant niet dagelijks vooraf zijn verblijfplaats heeft doorgegeven aan het college en dat hij op twee dagen telefonisch niet bereikbaar was.

2.3.

Bij besluit van 12 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 november 2014 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing is ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden. Hij heeft zich niet gehouden aan de afspraak om dagelijks zijn verblijfslocatie voor de nacht door te geven en om telefonisch bereikbaar te zijn. Hierdoor kan de woon- en leefsituatie van appellant niet worden beoordeeld met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

3.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De hier te beoordelen perioden lopen van 29 juli 2014 tot en met 26 augustus 2014 (datum eerste aanvraag, onderscheidenlijk datum besluit op die aanvraag) en van 29 augustus 2014 tot en met 12 september 2014 (datum tweede aanvraag, respectievelijk datum besluit op die aanvraag).

5.2.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen, onder meer over zijn woon- en verblijfplaats. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:15) kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Aangevallen uitspraak 1

5.3.

Appellant heeft aangevoerd dat ten onrechte is geoordeeld dat hij geen medewerking heeft verleend aan het huisbezoek van 22 augustus 2014. Naar zijn mening was nog slechts sprake van een discussie over de vraag of slechts één van de handhavingsmedewerkers de woning mocht betreden. Dat het huisbezoek niet is doorgegaan, is volgens appellant het gevolg van de reactie van de handhavingsmedewerkers. Hierbij is geen rekening gehouden met de situatie van appellant, die voor het eerst met een huisbezoek werd geconfronteerd. Er had van de handhavingsmedewerkers dan ook mogen worden verwacht dat zij meer moeite hadden gedaan om het huisbezoek alsnog te kunnen laten doorgaan, bijvoorbeeld door later terug te komen of appellant een hersteltermijn te bieden.

5.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is niet aan appellant om te bepalen op welke wijze het college de woonsituatie onderzoekt. Zoals ter zitting van de Raad is toegelicht, hanteert het college de werkwijze dat huisbezoeken altijd worden afgelegd door twee medewerkers.

Uit 1.2 volgt ook dat de handhavingsmedewerkers dit aan appellant hebben medegedeeld en dat appellant, nadat hij was gewezen op de consequenties van een weigering van het huisbezoek, niet alsnog toestemming heeft verleend. Hij heeft immers gezegd dat hij de consequenties dan maar zou afwachten, waarna hij de handhavingsmedewerkers heeft laten vertrekken. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat appellant medewerking heeft verleend aan het huisbezoek. Evenmin kan worden geoordeeld dat het op de weg van het college lag om meer moeite te doen teneinde het huisbezoek alsnog te laten plaatsvinden. Het betreft immers een aanvraagsituatie. Zoals volgt uit 5.2 rust de bewijslast ten aanzien van de woon- en leefsituatie op de aanvrager en is hij verplicht om het college medewerking te verlenen bij de controle van de door hem versterkte gegevens over de woon- en leefsituatie. Het college heeft voorts terecht geen aanleiding gezien om een hersteltermijn te verlenen, bijvoorbeeld door later terug te komen.

5.5.

Nu het college de woon- en leefsituatie van appellant niet heeft kunnen controleren, heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. Het betoog van appellant, dat het college ook zonder de resultaten van het huisbezoek zijn recht op bijstand had kunnen vaststellen, omdat zijn situatie bij het college bekend was door de vele contactmomenten tussen hem en het college, slaagt niet. Het college heeft de informatie die appellant heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie immers niet kunnen verifiëren.

5.6.

Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt. Aangevallen uitspraak 1 zal daarom worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2

5.7.

Appellant heeft aangevoerd dat ten onrechte is geoordeeld dat hij zijn inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden. Weliswaar was hij op twee dagen telefonisch niet bereikbaar, maar op vier andere dagen was hij wel bereikbaar. Het college heeft zo vastgesteld dan wel kunnen vaststellen dat hij verbleef op het adres dat hij had doorgegeven. Zijn situatie was dan ook voldoende duidelijk om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

5.8.

Het onder 1.1 en 2.1 bedoelde formulier “ [postadres] ” gebruikt het college in het geval een aanvrager om bijstand geen vast adres heeft, enerzijds om aan de adresloze een postadres ter beschikking te stellen en anderzijds om het onderzoek naar de feitelijke

woon- en leefsituatie toe te lichten. Om dit onderzoek mogelijk te maken geldt de afspraak dat de adresloze iedere avond de locatie waar hij de komende nacht doorbrengt aan het college doorgeeft, dat hij bereikbaar is op zijn mobiele telefoonnummer tot uiterlijk 07.30 uur de volgende ochtend en dat zijn telefoon voldoende is opgeladen. Deze afspraken zijn neergelegd in het formulier.

5.9.

Vaststaat dat appellant in de periode van 1 september 2014 tot en met 9 september 2014 niet dagelijks vooraf zijn verblijfslocatie heeft doorgegeven aan het college. Daarnaast heeft een handhavingsmedewerker op 4 september 2014 en op 9 september 2014 tevergeefs getracht telefonisch in contact te komen met appellant. Door vooraf geen opgave te doen van zijn verblijflocatie(s) en door op twee dagen telefonisch niet bereikbaar te zijn heeft appellant het college de mogelijkheid ontnomen om adequaat onderzoek te doen naar zijn feitelijke woon- en verblijfsituatie.

5.10.

Appellant heeft aangevoerd dat de rapporteur hem telefonisch niet heeft kunnen bereiken op het door hem opgegeven telefoonnummer omdat zijn telefoon niet was opgeladen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Die omstandigheid dient, gelet op wat in 5.2 is overwogen en gelet op de gemaakte afspraken, in beginsel voor rekening en risico van appellant te komen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem het niet nakomen van die afspraken in redelijkheid niet is tegen te werpen. Het college had van voormeld uitgangspunt dan ook, anders dan appellant meent, niet hoeven af te wijken.

5.11.

Uit 5.10 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van een schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting het recht op bijstand van appellant over de te beoordelen periode niet kon worden vastgesteld.

5.12.

Uit 5.1, 5.2 en 5.6 tot en met 5.11 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt. Aangevallen uitspraak 2 zal daarom ook worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2016.

(getekend) W.F. Claessens

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD