Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4040

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
15/3753 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag na overdracht woning in Turkije. Stelling dat voor overdracht geen geldbedrag is verkregen slaagt niet. Vooronderstelling vermeld verkoopbedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/3753 WWB

Datum uitspraak: 25 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 april 2015, 14/4529 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Bonsen-Lemmers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bonsen-Lemmers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Tijl.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 19 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 april 2014, heeft het college de bijstand ingetrokken met ingang van 9 april 2012 op de grond dat appellante eigenaar was van een onroerende zaak in Turkije, te weten een woning in de gemeente [gemeente] , district [district] , provincie [provincie 1] (woning), met een getaxeerde waarde van - omgerekend - ongeveer € 90.000,-. Aan de besluitvorming heeft het college onder meer een rapport van 2 december 2013 van een kadastraal onderzoek, op verzoek van het college uitgevoerd in Turkije door Gürdal Law Office, ten grondslag gelegd. Bij uitspraak van 18 december 2014, 14/1640, heeft de rechtbank Noord-Holland het beroep tegen het besluit van 8 april 2014 ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak heeft appellante geen hoger beroep ingesteld.

1.2.

Op 2 januari 2014 heeft appellante zich opnieuw gemeld om bij het college bijstand aan te vragen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij heeft daarbij vermeld dat haar omstandigheden in die zin waren gewijzigd dat de woning sinds 23 december 2013 niet meer op haar naam stond geregistreerd en dat zij die registratie op die dag heeft laten overgaan op naam van haar broer, [naam broer] (broer), geboren [in] 1986. Op 29 januari 2014 heeft appellante de aanvraag ingediend.

1.3.

Tijdens het intakegesprek op 29 januari 2014 heeft appellante meegedeeld dat de woning door haar ouders was aangekocht en nadien in verband met hun echtscheiding op naam van haar moeder was gezet, dat haar moeder de woning daarna op naam van appellante had gezet en dat de woning eigenlijk was bedoeld voor haar destijds nog minderjarige broer. Appellante heeft verder vermeld dat zij vanwege deze omstandigheden voor de tenaamstelling van de woning op naam van haar broer op 23 december 2013 geen geld heeft gekregen. Appellante heeft daarbij een schriftelijke verklaring van februari 2014 van haar broer overgelegd met betrekking tot deze tenaamstelling van de woning.

1.4.

Bij brief van 5 februari 2014 heeft het college appellante verzocht om bewijsstukken met betrekking tot de eigendom en de overdracht van de woning aan de broer te verstrekken en enkele vragen daarover te beantwoorden. Tevens heeft het college haar verzocht om vragen te beantwoorden en bewijsstukken te verstrekken met betrekking tot een mogelijk op haar naam gestelde onroerende zaak in de provincie [provincie 2] dan wel elders in Turkije. Appellante heeft bij brief van 27 februari 2014 de volgende stukken overgelegd:

- een eigendomsbewijs van 10 september 2001 en de vertaling daarvan, waarop is vermeld dat de woning vanwege verkoop op naam van appellante is gesteld en dat de verkoopprijs 2.000.000.000,- Turkse Lira bedraagt;

- een eigendomsbewijs van 23 december 2013 en de vertaling daarvan, waarop is vermeld dat de woning vanwege verkoop is overgeschreven op naam van de broer en dat de verkoopprijs 82.000,- bedraagt en

- een eigendomsbewijs van 17 december 2013 en de vertaling daarvan, waarop is vermeld dat een “Aardehuis met tuin” door verkoop is overgedragen aan de broer en dat de verkoopprijs 5.000,- bedraagt.

Zij heeft voorts een verklaring van haar broer overgelegd, die hij op 6 maart 2014 ten overstaan van een notaris had afgelegd, inhoudende dat de woning en het “Aardehuis met tuin” door de familie aan de broer waren toebedeeld, maar dat desondanks, omdat hij niet eerder volwassen was en vanwege familieproblemen, de eigendomsbewijzen op naam van appellante werden gesteld.

1.5.

Het college heeft bij besluit van 7 april 2014 de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellante niet met officiële stukken had aangetoond dat zij niet meer in het bezit was van de woning. Hierdoor moest zij worden geacht te beschikken over een woning ter waarde van € 90.000,-. Zij kwam daarom wegens overschrijding van de grens van het vrij te laten vermogen niet voor bijstand in aanmerking.

1.6.

Appellante heeft tegen het besluit van 7 april 2014 bezwaar gemaakt en daarbij een onderzoeksrapport van 13 juni 2014 van advocatenkantoor Akdağ, met daarbij kadastrale gegevens overgelegd als bewijs dat sinds 23 december 2013 haar broer eigenaar was van de woning. In dit rapport staat dat de woning en het “Aardehuis met tuin” op 23 december 2013, onderscheidenlijk 17 december 2013, zijn verworven door middel van aankoop.

1.7.

Bij besluit van 20 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 7 april 2014 met wijziging van de motivering gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor de overdracht van de woning aan haar broer geen tegenprestatie heeft ontvangen en dat onduidelijk is gebleven wat daarvan de omvang was en eveneens hoe appellante het desbetreffende bedrag heeft aangewend. Onder die omstandigheden kan het vermogen van appellante, en daarmee het recht op bijstand, niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij de eigendom van de woning zonder tegenprestatie aan haar broer heeft overgedragen, omdat zij de woning zonder tegenprestatie had verworven en de woning van meet af aan bestemd was voor haar broer. Zij heeft daarbij gewezen op haar bankafschriften, waarop geen bijschrijving ter zake van de overdracht is te zien, en betoogd dat zij overigens moeilijk kan bewijzen wat zij niet heeft ontvangen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 2 januari 2014, de datum van de melding om bijstand aan te vragen, tot en met 7 april 2014, de datum van het besluit tot afwijzing van de aanvraag.

4.2.

Indien een periodieke bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken, ligt het in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden, in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.3.

Appellante heeft, zoals niet meer in geschil is, aangetoond dat haar omstandigheden zijn gewijzigd sinds 23 december 2013, met als gevolg dat zij bij het doen van haar melding op

2 januari 2014 niet meer beschikte over de in 1.1 bedoelde onroerende zaak. Zij heeft echter niet aangetoond dat zij vanaf 2 januari 2014, anders dan voorheen, voldeed aan de voorwaarde voor bijstandverlening dat zij verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. De volgende overwegingen liggen aan dit oordeel ten grondslag.

4.4.1.

Op het door appellante overgelegde eigendomsbewijs van 23 december 2013 is vermeld dat de broer de woning, die volledig op naam van appellante stond, op die datum heeft verworven vanwege verkoop. Niet in geschil is dat het op dat eigendomsbewijs als verkoopprijs genoemde bedrag een bedrag in euro’s is. Deze gegevens, opgenomen in een officieel eigendomsregister, rechtvaardigen de vooronderstelling dat die onroerende zaak daadwerkelijk vanwege verkoop in eigendom is overgedragen voor het vermelde verkoopbedrag. Appellante heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

4.4.2.

Appellante heeft in dit verband gesteld dat de vermelding van het verkoopbedrag op het eigendomsbewijs geen betekenis heeft, omdat bij het zogenoemde Tapu-kantoor - waar het eigendomsbewijs wordt uitgegeven en wat vergelijkbaar is met het Nederlandse kadaster - niet wordt gecontroleerd of de verkoopprijs daadwerkelijk is overgedragen. Deze stelling, wat daarvan ook zij, is echter in het licht van de onder 4.2 bedoelde bewijslastverdeling op zichzelf onvoldoende om aannemelijk te maken dat de woning zonder tegenprestatie door appellante is overgedragen aan haar broer. Het door appellante in bezwaar overgelegde onderzoeksrapport van advocatenkantoor Akdağ is daartoe in ieder geval onvoldoende.

4.4.3.

Ook met de stelling dat appellante bij de overdracht van de woning door haar moeder aan haarzelf op 10 september 2001 evenmin een tegenprestatie heeft geleverd, heeft appellante de in 4.4.1 bedoelde vooronderstelling niet weerlegd. Op het eigendomsbewijs van 10 september 2001 is immers vermeld dat appellante de woning vanwege verkoop heeft verworven voor een verkoopprijs van 2.000.000.000 Turkse Lira. Aangenomen mag daarom worden dat zij bij die overdracht aan haar moeder de vermelde verkoopprijs heeft betaald. Appellante heeft geen stukken in het geding gebracht die op het tegendeel wijzen.

4.4.4.

Als verklaring voor het door appellante gestelde feit dat de transacties met betrekking tot de woning hebben plaatsgevonden zonder tegenprestatie, heeft appellante naar voren gebracht dat de woning in verband met de echtscheiding van haar ouders voor haar moeder moest worden veiliggesteld en dat haar broer als oudste zoon naar Turks gebruik de woning zou moeten verwerven, maar dat hij ten tijde van de echtscheiding nog minderjarig was. Appellante heeft echter, wat er ook zij van de bedoelingen van de familie op dit punt, geen concrete afspraken hierover vermeld, anders dan dat haar broer de woning zou verkrijgen zodra hij meerderjarig zou zijn. Een op haar rustende verplichting tot overdracht van de woning aan haar broer zonder tegenprestatie heeft appellante niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen, hiermee niet is verklaard dat de woning nog bijna tien jaar nadat de broer meerderjarig was geworden op naam van appellante is blijven staan.

4.5.

Aan de verklaring van haar broer van 6 maart 2014 komt niet die betekenis toe die appellante daaraan gehecht wenst te zien. Die verklaring is achteraf opgesteld en wordt niet gesteund door controleerbare gegevens. Het betoog van appellante dat uit haar bankafschriften blijkt dat zij niets heeft ontvangen voor de overdracht van de woning, treft geen doel. De tegenprestatie heeft zij immers niet noodzakelijkerwijs op de door haar bedoelde bankrekening ontvangen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2016.

(getekend) W.F. Claessens

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD