Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4036

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
15/7152 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Niet woonachtig op uitkeringsadres. Voldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/7152 WWB

Datum uitspraak: 25 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 september 2015, 15/632 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nieuwstraten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.B.E. Donkers-van Laar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 18 juni 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft op het aanvraagformulier vermeld te wonen aan het [opgegeven adres] te [woonplaats] (opgegeven adres).

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft een rapporteur van de gemeente Krimpen aan den IJssel een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan en is appellant op 28 juli 2014 op kantoor gehoord. Tijdens dit gesprek heeft appellant, blijkens de onderzoeksrapportage, verklaard dat hij nooit op het opgegeven adres heeft geslapen, dat hij logeert bij zijn ouders, dat hij recht heeft op een uitkering omdat hij ingeschreven staat op het opgegeven adres en huur moet betalen en, nadat de rapporteur hem erop had gewezen dat zijn feitelijk verblijf voor het recht op bijstand van belang is, dat hij dan wel een matras gaat kopen. Op 31 juli 2014 heeft het college een huisbezoek afgelegd aan de woning op het opgegeven adres. Tijdens dit huisbezoek heeft appellant blijkens de onderzoeksrapportage verklaard dat hij onder zijn jas in een lege hoek in de woonkamer op de grond heeft geslapen en - in antwoord op de vraag waar zijn tandenborstel en tandpasta waren - dat hij dezelfde dag een tandenborstel en tandpasta zou kopen. In de badkamer hing één handdoek en er stond shampoo en douchecrème. De rapporteur heeft geen scheerspullen aangetroffen. In de slaapkamer stond kleding in vuilniszakken. Er waren geen gordijnen en de woning was volledig ongemeubileerd.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

6 augustus 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 december 2014 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant af te wijzen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet woonachtig is op het opgegeven adres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 18 juni 2014 tot en met 6 augustus 2014 (te beoordelen periode).

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het woonadres is van essentieel belang voor de verlening van bijstand.

4.4.

Appellant heeft de inhoud van het verslag van het huisbezoek en de weergave van zijn verklaringen op 28 juli 2014 en 31 juli 2014, zoals weergegeven in de onderzoeksrapportage, niet betwist. De stelling van appellant dat de rapporteur bij het huisbezoek niet (in voldoende mate) alle vertrekken en kasten heeft bekeken en daarmee dingen over het hoofd heeft gezien, geeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de weergave van de bevindingen in het onderzoeksrapport of aan de zorgvuldigheid van het verrichte onderzoek. De bij het huisbezoek aangetroffen omstandigheden, in samenhang met de in 1.2 en 1.3 genoemde verklaringen van appellant, bieden - anders dan appellant betoogt - een toereikende grondslag voor het bestreden besluit. Hierbij is met name van belang dat appellant op 28 juli 2014 heeft verklaard dat hij nooit op het adres had geslapen en dat de woning tijdens het huisbezoek, dat bijna zes weken na de aanvraag plaatsvond, nog altijd volledig ongemeubileerd was. Appellant had weliswaar diverse meubelstukken besteld en hij had inmiddels een aantal vuilniszakken met kleding in de slaapkamer van de woning op het opgegeven adres staan, maar dat is onvoldoende om aannemelijk te achten dat hij ook op dat adres woonachtig was. De enkele stelling dat er etenswaren, een matras, verzorgingsproducten en gordijnen in de woning aanwezig waren en de door appellant nagezonden foto maken dit niet anders. Wat de foto betreft is daarbij van belang dat uit niets blijkt dat deze foto is gemaakt in de hier te beoordelen periode.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Gelet hierop bestaat geen ruimte voor een veroordeling van het college tot vergoeding van schade. Het verzoek daartoe van appellant zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD