Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
15/7896 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6822, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Niet alle bankafschriften overgelegd. Geen duidelijkheid over herkomst kasstortingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/7896 WWB

Datum uitspraak: 25 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 oktober 2015, 15/2900 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Cakal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 30 augustus 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante was tot 4 mei 2011 gehuwd met [naam] (A). Zij heeft zich op 16 september 2014 gemeld voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand.

1.2.

Bij brief van 31 oktober 2014 heeft het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 12 november 2014. Het college heeft appellante daarbij verzocht om een aantal gegevens mee te nemen, waaronder - voor zover hier van belang - afschriften van de bankrekening van appellante en A met nummer …166 vanaf 1 augustus 2013 tot heden en bewijsstukken met betrekking tot de herkomst van kasstortingen op bankrekening …387.

1.3.

Omdat appellante de in 1.2 genoemde gegevens niet had overgelegd heeft het college haar bij brief van 12 november 2014 een hersteltermijn geboden. Appellante diende de gevraagde gegevens uiterlijk 19 november 2014 in te leveren.

1.4.

Bij besluit van 12 november 2014 heeft het college appellante een voorschot toegekend van € 810,- in de vorm van een renteloze geldlening.

1.5.

Bij besluit van 22 december 2014 heeft het college de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 29 december 2014 heeft het college het verstrekte voorschot van appellante teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 5 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 22 december 2014 en 29 december 2014 ongegrond verklaard. Daaraan ligt

- voor zover hier van belang - ten grondslag dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet alle gevraagde gegevens over te leggen, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - voor zover hier van belang - overwogen dat niet onaannemelijk is dat de kasstortingen op rekening …387 afkomstig zijn van giften van de zoon van appellante en van stortingen van gelden afkomstig van de eigen spaarrekening. Appellante heeft echter niet alle relevante stukken overgelegd, waaronder bankafschriften van rekening …166, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daarbij is van belang dat de rechtbank de kort voor de zitting overgelegde overzichten van rekeningnummer …166 (overzichten) buiten beschouwing heeft gelaten omdat appellante de overzichten niet uiterlijk de elfde dag voor de zitting heeft ingediend.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert

- verkort weergegeven - aan dat zij alle stukken die van belang zijn om het recht op bijstand te kunnen vaststellen heeft ingeleverd. Appellante verzoekt de overzichten alsnog mee te nemen in de beoordeling. Appellante heeft van deze bankrekening nooit gebruik gemaakt. Op de overzichten is af te lezen dat bij de kasstortingen en opnames niet het pasnummer van appellante is gebruikt. Appellante heeft met de kasstortingen niets te maken gehad. Dit blijkt ook uit de akte van verdeling tussen haar en A. Appellante voert voorts aan dat het college reeds een jaar in bezit is van de overzichten en pas twee dagen voor de zitting inhoudelijk reageert op de inhoud daarvan. Gelet hierop kan appellante A niet meer tijdig voor de zitting bevragen naar de herkomst van de stortingen. Appellante verzoekt de inhoudelijke beoordeling door het college om die reden niet mee te nemen in deze procedure.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van de melding om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van 16 september 2014 tot en met 22 december 2014.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2846) rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij aanvragen om bijstand in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van de verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft.

4.3.

Er is geen aanleiding om, zoals appellante aanvoert, voorbij te gaan aan de inhoudelijke reactie van het college op de kasstortingen op rekening …166. Dat is alleen al het geval omdat het college niet twee dagen voor de zitting, maar al bij verweerschrift van 10 maart 2016 inhoudelijk op de overzichten heeft gereageerd. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat, anders dan appellante stelt, het recht op bijstand ook niet kan worden vastgesteld als de overzichten worden meegenomen. Uit de overzichten blijkt dat in de periode van 16 september 2013 tot en met 8 september 2014 regelmatig kasstortingen hebben plaatsgevonden, in totaal tot een bedrag van ruim € 46.000,-. Appellante heeft de herkomst van deze kasstortingen niet duidelijk gemaakt. De beroepsgrond van appellante dat zij nooit gebruik heeft gemaakt van deze rekening, laat onverlet dat appellante geen inzicht heeft gegeven in de herkomst van de stortingen op de toen op haar naam staande rekening …166. Nu appellante geen inzicht heeft verschaft in de herkomst van deze stortingen, heeft zij onvoldoende duidelijkheid verschaft over de wijze waarop zij voorafgaand aan de aanvraag in haar levensonderhoud heeft voorzien. De door appellante genoemde akte van verdeling biedt op dit punt niet de benodigde duidelijkheid. Deze akte van verdeling betreft de aan appellante en A toebehorende koopwoning en de daarmee verband houdende hypotheekverplichtingen. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door niet de benodigde duidelijkheid te verschaffen over de herkomst van de kasstortingen op

rekening …166. Alleen al gelet op die onduidelijkheid kon het college het recht op bijstand niet vaststellen.

4.4.

Gelet op 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD