Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4029

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
16/713 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand vanaf aanvraag over bepaalde periode. Aanspraak op onverdeelde boedel. Zelfstandige terugvorderingsgrond art. 58.1.F, PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/20

Uitspraak

16/713 PW

Datum uitspraak: 25 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

18 december 2015, 15/2042 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van het opheffen van de gemeenschappelijke regeling per 1 januari 2016 treedt in dit geding het college in de plaats van het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland. In deze uitspraak wordt onder college tevens verstaan het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland.

Namens appellante heeft mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2016. Voor appellante is

mr. Verstraelen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

W. Ottenheim.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft aan appellante over de periode van 6 augustus 2008 tot en met 30 juni 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) verleend onder de voorwaarde dat zij het college informeert over de afwikkeling van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap (boedelscheiding) met haar voormalige echtgenoot. Op

7 april 2011 heeft tussen appellante en de medewerker terugvordering en verhaal

[J.] (J) een gesprek plaatsgevonden over de afwikkeling van de boedelscheiding. Appellante heeft daarbij te kennen gegeven dat ruim € 30.000,- van het positieve saldo van de boedel nog bij de notaris in depot staat. Bij brieven van 1 maart 2012, 8 juni 2012, 1 oktober 2013, 22 oktober 2014 en 11 november 2014 heeft het college appellante om nadere informatie omtrent de boedelscheiding verzocht. Appellante heeft op 13 juni 2012, 17 oktober 2013 en 24 november 2014 telefonisch laten weten dat zij de gevraagde gegevens nog niet kon overleggen.

1.2.

Bij besluit van 12 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand over de periode van 6 augustus 2008 tot en met 30 juni 2009 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 6.471,66 van appellante teruggevorderd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante ten gevolge van de boedelscheiding een bedrag van

€ 43.362,25 heeft ontvangen, welk bedrag het bij de aanvang van de bijstand vrij te laten vermogen zodanig fors overschrijdt dat appellante achteraf bezien over de periode van

6 augustus 2008 tot en met 30 juni 2009 geen recht op bijstand heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd op de hierna te bespreken gronden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft allereerst aangevoerd dat bij de aanvang van de bijstandverlening geen sprake was van overschrijding van het vrij te laten vermogen, zodat geen grond aanwezig is voor terugvordering van de verstrekte bijstand. Ingevolge artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet (PW) kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand anders dan door schending van de inlichtingenverplichting onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de PW beschikt of kan beschikken. Vaststaat dat appellante vanaf 6 augustus 2008 bijstand ontving. Niet in geschil is dat appellante op die datum aanspraak had op haar aandeel in de op dat moment nog onverdeelde boedel. Appellante heeft in totaal uit de boedelscheiding een bedrag van € 43.362,25 ontvangen. Zij beschikte dus over middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW met betrekking tot een periode waarover bijstand was verleend. Dat bij de aanvang van de bijstandverlening nog geen sprake was van vrij te laten vermogen staat aan de terugvordering op grond van naderhand verkregen middelen als gevolg van de boedelscheiding niet in de weg. Deze terugvorderingsbepaling is specifiek voor dit soort situaties bedoeld. Deze beroepsgrond treft aldus onder verwijzing naar vaste rechtspraak (uitspraak van 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1437) geen doel.

4.2.

Ook de beroepsgrond dat appellante in het gesprek met J op 7 april 2011 heeft begrepen dat het college afziet van terugvordering omdat de advocaatkosten hoger zijn dan het aandeel van appellante in de boedel, treft geen doel. Appellante heeft een dergelijke toezegging niet aannemelijk kunnen maken. Bovendien valt dit niet te rijmen met het gegeven dat J in de schriftelijke correspondentie met appellante te kennen heeft gegeven dat de door appellante overgelegde overzichten van de advocaatkosten niet voldoende inzichtelijk zijn om de werkelijke advocaatkosten te kunnen vaststellen en haar derhalve om nadere bewijsstukken heeft gevraagd, die zij nimmer heeft overgelegd.

4.3.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat het tot de bezwaarfase voor haar niet duidelijk was dat het niet slechts ging om het vermogen van € 12.500,- dat in december 2014 door de notaris op haar rekening is gestort. Dat het college in een eerder stadium, in het bijzonder na het gesprek op 7 april 2011, nog geen actie jegens appellante had ondernomen vloeit evenwel rechtstreeks voort uit het feit dat appellante tot de bezwaarfase nog niet alle gevraagde informatie had verstrekt.

4.4.

Appellante heeft tot slot aangevoerd dat het college naar aanleiding van de betaling van

€ 12.500,- nog een terugvordering heeft ingesteld en dat daar rekening mee moet worden gehouden. Bij besluit van 22 december 2014 heeft het college na de storting op haar rekening van het voornoemde bedrag van € 12.500,- de bijstand over de periode van 21 juli 2014 tot en met 30 november 2014 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 1.889,- teruggevorderd. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat. In het onderhavige geding ligt enkel het (oordeel van de rechtbank over het) bestreden besluit ter toetsing voor. Derhalve slaagt deze beroepsgrond niet.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) A. Stuut

HD