Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4027

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
15/6841 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen procesbelang nu appellante de hoogte bijstandsnorm voor later tijdstip getoetst wil zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/6841 PW

Datum uitspraak: 25 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

3 september 2015, 15/2499 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2016. Voor appellante is

mr. Fischer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Wal.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Bij besluit van 4 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college bepaald dat appellante met ingang van 1 januari 2015 bijstand krijgt op grond van de Participatiewet (PW) maar dat de hoogte van de verleende bijstand op grond van het overgangsrecht tot 1 juli 2015 ongewijzigd blijft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Appellante is er immers door het bestreden besluit materieel niet op achteruit gegaan. Nu geen geschil bestaat over de hoogte van de bijstand doet de rechtbank geen uitspraak over deze louter principiƫle kwestie.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij wel degelijk belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de wijziging van de grondslag van haar bijstand per 1 januari 2015 vanwege de in het verschiet liggende wijzigingen van hoogte van de bijstand per 1 juli 2015 en per 1 januari 2016 als gevolg van het gewijzigde regime.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.

4.2.

Appellante wil het regime van de Participatiewet vanwege de beoogde wijzigingen van de hoogte van haar bijstand per 1 juli 2015 en 1 januari 2016 getoetst zien maar heeft bevestigd dat ze er per 1 januari 2015 materieel niet op achteruit is gegaan.

Mr. Fischer heeft ter zitting evenwel benadrukt dat hij namens appellante beroep en hoger beroep heeft ingesteld om haar belangen veilig te stellen in verband met de wijzigingen per 1 juli 2015 en 1 januari 2016. Hij wil daarmee voorkomen dat de wijzigingen per 1 juli 2015 en 1 januari 2016 te zijner tijd onverhoopt niet door de rechter worden getoetst.

4.3.

Het bestreden besluit ziet op bijstandverlening met ingang van 1 januari 2015 en niet op de situatie per 1 juli 2015 of 1 januari 2016. In het besluit van 4 maart 2015 heeft het college aangekondigd dat appellante bij een wijziging van de bijstand per 1 juli 2015 een besluit krijgt van het college met daarin de hoogte en wijze van berekening van de bijstand. Appellante heeft inmiddels ook een besluit van 1 juli 2015 ontvangen in verband met de wijziging van haar bijstand ingevolge de PW per 1 juli 2015 en heeft daartegen ook rechtsmiddelen aangewend.

4.4.

Met het voorgaande is gegeven dat appellante geen belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) A. Stuut

HD