Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4026

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
15/5046 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag na eerdere intrekking. Gewijzigde omstandigheden niet aangetoond. Beschikken over door zus op bankrekening gestorte bedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/5046 WWB

Datum uitspraak: 25 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

25 juni 2015, 14/6798 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Namaki, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2016. Namens appellante is

mr. Namaki verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.J. Bloemena.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 11 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 september 2013, heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 11 juni 2013 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Op 9 juni 2013 heeft appellante een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 29 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 augustus 2014, heeft het college de aanvraag van 9 juni 2013 afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Appellante had de beschikking over middelen die haar zus op haar bankrekening liet storten en die hoger waren dan de voor haar geldende norm. Niet gebleken is dat haar zus exclusief gebruik maakte van deze bankrekening. Tegen dit besluit heeft appellante evenmin rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Op 4 september 2013 heeft appellante wederom een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 20 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Hieraan heeft het college, onder verwijzing naar het besluit van 29 juli 2013, ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in die zin dat appellante nu wel voor bijstand in aanmerking komt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante heeft zij aangetoond dat zij wel in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. In haar brief van 18 juni 2014 heeft zij alle mogelijke onduidelijkheden over de gemeenschappelijke rekening met haar zus opgehelderd. De zus van appellante kon geen gebruik maken van haar eigen bankrekening doordat het pasje hiervan was geblokkeerd. Daarom heeft appellante haar zus geholpen. Binnen hun cultuur is het heel gebruikelijk om elkaar te helpen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 4 september 2013 tot en met 20 november 2013.

4.2.

Indien een eerdere aanvraag om periodieke bijstand is afgewezen en de betrokkene een nieuwe aanvraag indient, gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.3.

Appellante is daarin niet geslaagd. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7336) rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam van een belanghebbende staat de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Niet in geschil is dat in de te beoordelen periode het salaris van haar zus nog steeds op de bankrekening van appellante werd overgemaakt. Met haar brief van 18 juni 2013 heeft appellante niet aangetoond dat haar zus exclusief gebruikmaakte van haar bankrekening. In die brief heeft appellante immers ook vermeld dat bepaalde stortingen op haar rekening voor haarzelf waren bestemd. Bovendien zijn de vaste lasten van appellante vanaf deze rekening voldaan en heeft appellante diverse contante opnames van deze rekening gedaan. Dat het binnen de cultuur van appellante gebruikelijk is om elkaar te helpen, doet aan de feitelijke situatie niet af.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) A. Stuut

HD