Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4012

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
25-10-2016
Zaaknummer
15/2519 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vaststelling van het inkomen van betrokkene, waarbij het Uwv de winst van betrokkene uit zelfstandige arbeid evenredig aan de twaalf kalendermaanden van 2012 heeft toegerekend, leidt niet tot een kennelijk onredelijk resultaat of een onbillijkheid van overwegende aard. Appellant heeft voor het beoordelingskader terecht een onderscheid gemaakt tussen de periode van 1 januari 2012 tot 1 maart 2012, waarin artikel 6 van het Inkomensbesluit Wet WIA van toepassing is, en de periode van 1 maart 2012 tot 31 december 2012, waarin artikel 4:1 van het AIB van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1071

Uitspraak

15/2519 WIA

Datum uitspraak: 14 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 maart 2015, 14/3538 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.H.G. in de Braekt een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. In de Braekt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene ontvangt sinds 1 april 2006 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), laatstelijk een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 65% tot 80%. De resterende verdiencapaciteit van betrokkene is daarbij op € 1.049,36 per maand gesteld en de inkomenseis op € 524,68 per maand. Deze uitkering is over 2012 op voorschotbasis betaald in verband met de verdiensten van betrokkene als zelfstandig schoonheidsspecialiste. Zij werkte van begin januari 2012 tot en met augustus 2012 in een urenomvang van ongeveer 24 uur per week.

1.2.

Betrokkene is met ingang van 1 september 2012 voor ongeveer twaalf uur per week in loondienst als oproepkracht tandartsassistente gaan werken. Zij heeft dit op 3 december 2012 (nogmaals) aan appellant gemeld. Appellant heeft betrokkene daarop bij brief van

24 december 2012 bericht dat appellant uitgaat van een gemiddeld bedrag aan inkomen van

€ 1.166,67 per maand en dat de inkomsten uit loondienst € 572,07 per maand bedragen. Betrokkene is gewezen op de voor haar geldende resterende verdiencapaciteit van € 1.049,36 per maand.

1.3.

In februari 2014 heeft appellant de uitkering van betrokkene op basis van de gegevens van de Belastingdienst definitief berekend. Bij besluit van 28 februari 2014 heeft appellant vastgesteld dat betrokkene over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 augustus 2012 recht had op een WGA-vervolguitkering, omdat zij minder dan de helft heeft verdiend van haar resterende verdiencapaciteit en dat zij over de periode van 1 september 2012 tot en met 31 december 2012 recht had op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Appellant heeft betrokkene verder bericht dat zij een bedrag van € 6.844,68 te veel aan voorschot heeft ontvangen en dat zij dit bedrag dient terug te betalen.

1.4.

Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 februari 2014. Daartoe heeft zij, onder verwijzing naar een rapport van arbeidsdeskundige P. van Diepen van 16 april 2014, aangevoerd dat appellant haar inkomsten uit zelfstandige arbeid niet evenredig aan de twaalf kalendermaanden in 2012 had mogen toerekenen, maar dat appellant een andere verdeling had moeten hanteren. Van Diepen heeft over de werkzaamheden van betrokkene als zelfstandige gerapporteerd dat uit zijn onderzoek gebleken is dat de omzet en de winst in de tweede helft van 2012 fors zijn teruggelopen. Hij stelt dat de oorzaak gelegen is in de omstandigheid dat betrokkene haar werkzaamheden als zelfstandige vanaf 15 augustus 2012 anders is gaan organiseren, waardoor zij een deel van haar klantenbestand is verloren en waardoor zij vanaf september 2012, naast haar werkzaamheden in loondienst, nog slechts circa twaalf uur per week werkzaam was als zelfstandige. Betrokkene heeft aangevoerd dat zij, uitgaande van de door Van Diepen in zijn rapport voorgestane berekening, waarbij de winst wordt toebedeeld op basis van de gewerkte uren, over de twaalf maanden van 2012 voldoet aan de inkomenseis.

1.5.

Bij besluit van 15 mei 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard onder verwijzing naar het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) en de daarin opgenomen wijze van vaststelling van het inkomen van een zelfstandige. Appellant heeft overwogen dat het inkomen van een zelfstandige per maand wordt berekend door de winst over het betreffende boek-/kalenderjaar te delen door twaalf maanden en deze evenredig toe te rekenen. Van deze hoofdregel kan – zo wordt in het bestreden besluit gesteld – slechts worden afgeweken wanneer betrokkene door ziekte volstrekt buiten staat is geweest om nog enige bemoeienis met haar bedrijf te hebben. In dat geval wordt de behaalde winst toegerekend aan de periode(n) waarin is gewerkt. Van een dergelijke situatie is geen sprake, zodat terecht besloten is de jaarwinst toe te rekenen aan de twaalf maanden.

2.1.

In beroep heeft betrokkene verwezen naar artikel 4:1, negende lid, van het AIB en aangevoerd dat de toepassing van de door appellant gehanteerde berekeningswijze van haar inkomen tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, nu zij hierdoor, anders dan bij de door haar en Van Diepen voorgestane berekeningswijze, over de maanden januari 2012 tot en met augustus 2012 slechts een paar euro onder de voor haar geldende inkomenseis blijft. Zij ziet zich hierdoor geconfronteerd met een veel lagere WGA-vervolguitkering en met een forse terugvordering. Betrokkene heeft tot slot aangevoerd dat zij feitelijk volledig voldaan heeft aan wat van haar op grond van de Wet WIA wordt verlangd, te weten werken naar vermogen.

2.2.

Appellant heeft in verweer vastgehouden aan de in het bestreden besluit gehanteerde berekeningswijze van de inkomsten van betrokkene uit zelfstandige arbeid. Daartoe is overwogen dat deze in lijn is met de (vaste) rechtspraak van de Raad. Appellant ziet in de omstandigheid dat betrokkene wegens haar werkzaamheden in loondienst minder uren als zelfstandige heeft gewerkt geen klemmende reden om af te wijken van de hoofdregel dat de belastbare winst uit onderneming evenredig aan de kalendermaanden in het boekjaar wordt toegerekend.

2.3.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij is vastgesteld dat betrokkene over de maanden januari tot en met augustus 2012 geen recht heeft op een loonaanvullingsuitkering en appellant opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tevens heeft de rechtbank het verzoek van betrokkene om schadevergoeding afgewezen, appellant veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en bepaald dat appellant het door betrokkene betaalde griffierecht vergoed.

2.3.2.

De rechtbank heeft voor het juridisch kader verwezen naar het eerste lid, tweede lid en vijfde lid van artikel 60 van de Wet WIA en naar artikel 4:1 van het AIB. Zij heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene, uitgaande van de in artikel 4:1, eerste en vijfde lid, van het AIB voorgeschreven berekeningswijze van inkomen uit zelfstandige arbeid, over de maanden januari tot en met augustus 2012 niet aan de inkomenseis voldoet, maar dat ter beoordeling ligt of sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 4:1, negende lid, van het AIB. De rechtbank heeft overwogen dat in de rechtspraak geen steun is te vinden voor het standpunt van appellant dat slechts dan sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat indien betrokkene volledig buiten staat zou zijn geweest werkzaamheden als zelfstandige te verrichten. Zij heeft verder overwogen dat het begrip ‘kennelijk onredelijk resultaat’ restrictief dient te worden uitgelegd. Het moet gaan om een situatie waarin het aanstonds duidelijk is dat de gevolgde berekeningswijze leidt tot een resultaat dat, mede gelet op de doelstelling van de wet, niet is beoogd en onredelijk is. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank sprake. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zich in het geval van betrokkene de bijzonderheid heeft voorgedaan dat in de loop van 2012 de omzet en winst van haar werkzaamheden als zelfstandige sterk zijn gedaald en dat zij, indien die daling zich niet (in die mate) zou hebben voorgedaan, over alle maanden voldaan zou hebben aan de voor haar geldende inkomenseis. De rechtbank heeft verder meegewogen dat betrokkene die teruggang in inkomsten heeft opgevangen door daarnaast tevens werkzaamheden in loondienst te gaan verrichten. Daarmee heeft betrokkene naar het oordeel van de rechtbank gehandeld op een wijze die in overeenstemming is met de aan de Wet WIA ten grondslag liggende gedachte dat een betrokkene arbeid naar vermogen dient te verrichten. Indien de totaliteit van de inkomsten van betrokkene op jaarbasis gemiddeld zou worden, voldoet betrokkene over alle maanden aan de inkomenseis. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wetgever niet beoogd hebben dat appellant, in een situatie als die van betrokkene, vasthoudt aan de berekeningswijze zoals voorgeschreven in artikel 4:1, eerste en vijfde lid, van het AIB. Het voorgaande heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat in dit geval sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat en dat een andere verdeling van de genoten winst gerechtvaardigd is. De rechtbank volgt de verdeling zoals de arbeidsdeskundige Van Diepen in zijn rapport van 16 april 2014 heeft geadviseerd.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank. Appellant heeft over het beoordelingskader te kennen gegeven, dat in dit geding een onderscheid aangebracht moet worden tussen de periode van 1 januari 2012 tot 1 maart 2012, waarin artikel 6 van het Inkomensbesluit Wet WIA van toepassing is, en de periode van 1 maart 2012 tot 31 december 2012, waarin voor het vaststellen van het inkomen het AIB van toepassing is. Appellant heeft uiteengezet dat in het Inkomensbesluit Wet WIA geen bepalingen zijn opgenomen inzake het toerekenen van winst aan de maanden van het boekjaar, maar dat in de (vaste) rechtspraak van de Raad is aanvaard dat de winst in een boekjaar evenredig aan de maanden van het boekjaar wordt toegerekend. Wat betreft de periode na 1 maart 2012, stelt appellant zich op het standpunt dat het AIB geen ruimte biedt voor afwijking van het bepaalde in artikel 4:1, vijfde lid, van de AIB, in die zin dat voor de berekening van het inkomen de winst moet toegerekend worden aan de hand van het bij benadering vastgestelde aantal uren in een periode. Onder verwijzing naar de nota van toelichting bij het per 1 januari 2011 in werking getreden Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen (de voorloper van het Algemeen Inkomensbesluit) en de toelichting bij artikel 131 ‘Aanwijzingen voor regelgeving’, waarin is vermeld dat grote terughoudendheid betracht dient te worden bij het opnemen van hardheidsclausules, heeft appellant verder aangevoerd dat eerst sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat indien er een zeer bijzondere situatie aan de hand is en dat niet blijkt dat artikel 4:1, negende lid, van de AIB is bedoeld voor gevallen waarin het inkomen of de arbeidsomvang van een zelfstandige in de loop van een boekjaar fluctueert, waardoor gedurende een bepaalde termijn niet aan de inkomenseis wordt voldaan. Appellant acht mede van belang dat het inherent is aan het werk van een zelfstandige dat het inkomen en de arbeidsuren niet in elke maand gelijk zijn. Appellant heeft verder aangevoerd dat betrokkene kennelijk vóór september 2012 het inkomen uit het eigen bedrijf zag teruglopen en pas vanaf september 2012 heeft gezorgd voor een aanvulling op haar inkomsten en het volledig benutten van haar restcapaciteit. Appellant heeft tot slot verwezen naar een uitspraak van de Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:440.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad is vooreerst van oordeel dat appellant voor het beoordelingskader terecht een onderscheid heeft gemaakt tussen de periode van 1 januari 2012 tot 1 maart 2012, waarin artikel 6 van het Inkomensbesluit Wet WIA van toepassing is, en de periode van

1 maart 2012 tot 31 december 2012, waarin artikel 4:1 van het AIB van toepassing is. De Raad verwijst in dit verband ook naar wat is overwogen in zijn uitspraak van 29 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:440. Uitgangspunt van de wijze van berekening van het maandinkomen is – kort gezegd – dat appellant de belastbare winst uit onderneming evenredig toe dient te rekenen aan de betreffende kalendermaanden in het boek- of kalenderjaar, tenzij het resultaat van de vaststelling van het inkomen kennelijk onredelijk is dan wel in overwegende mate onbillijk is.

4.2.

De Raad komt, anders dan de rechtbank, tot de conclusie dat de vaststelling van het inkomen van betrokkene, waarbij appellant de winst van betrokkene uit zelfstandige arbeid evenredig aan de twaalf kalendermaanden van 2012 heeft toegerekend, niet leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat of een onbillijkheid van overwegende aard. Daartoe wordt het volgende overwogen. Uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad komt naar voren, dat betrokkene sinds 2006/2007 werkzaam is als zelfstandig schoonheidsspecialiste en dat zij deze werkzaamheden eerst vanuit huis heeft verricht en vanaf 1 januari 2008 vanuit een gehuurde bedrijfsruimte, gevestigd in een sportschool, wat leidde tot een toename van het aantal klanten. Betrokkene heeft bedrijfseconomisch een aantal goede jaren gehad totdat, als gevolg van de economische crisis, het ledenaantal binnen de sportschool terugliep, evenals het aantal klanten binnen haar bedrijf. Voorts deed zich de situatie voor dat een werkneemster het bedrijf had verlaten onder medeneming van een groot aantal klanten. Betrokkene heeft wegens deze omstandigheden, de verwachting dat het bedrijfseconomisch herstel zich niet snel zou aandienen en de situatie dat zij zich geconfronteerd zag met een hoge huur in juni 2012, het besluit genomen de huurovereenkomst van de bedrijfsruimte, die op 1 januari 2013 afliep, op te zeggen. Betrokkene heeft vervolgens ingestemd met een voorstel van de verhuurder om de huurovereenkomst reeds op 15 augustus 2012 te beëindigen, omdat de verhuurder per

1 september 2012 een nieuwe huurder kon krijgen. Betrokkene heeft haar werkzaamheden van schoonheidsspecialiste daarna vanuit huis voortgezet. Zij mocht wegens een concurrentiebeding slechts 20 klanten binnen een kring van tien kilometer meenemen. Betrokkene heeft het verlies aan inkomsten ondervangen door voor twaalf uur in de week in loondienst als oproeptandartsassistente te gaan werken. De hiervoor geschetste omstandigheden waarmee betrokkene zich geconfronteerd zag, hoe lastig ook, behoren tot het normale bedrijfsrisico van een zelfstandige, waarbij de winst beïnvloed wordt door de economische conjunctuur, contractuele verplichtingen en ontwikkelingen in de vaste lasten zoals huisvesting. Tegen deze achtergrond is het resultaat van de wijze van berekening van het maandinkomen van betrokkene door appellant noch kennelijk onredelijk noch in overwegende mate onbillijk.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard.

5. Gelet op dit oordeel is er geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en R.E. Bakker en

H. van Leeuwen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2016.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) G.J. van Gendt

NK