Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
15/5382 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet wonen op uitkeringsadres. Voldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15 5382 WWB

Datum uitspraak: 18 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

24 juni 2015, 15/1015 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwaarden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Krol.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 28 september 2011 aanvullende bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip van 9 januari 2014 dat appellante niet woont op het uitkeringsadres, heeft de afdeling Handhaving van de sector Sociale Zaken van de gemeente Leeuwarden een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn waarnemingen gedaan bij het uitkeringsadres, zijn verbruiksgegevens van gas, elektra en water bij de nutsbedrijven opgevraagd, is appellante op 14 maart 2014 en op 8 april 2014 gehoord, is op 24 maart 2014 een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd en is op dezelfde datum de bovenbuurman van appellante gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

26 mei 2014.

1.3.

Bij besluit van 4 juni 2014 (besluit 1) heeft het college de bijstand met ingang van

28 september 2011 ingetrokken.

1.4.

Bij besluit van 18 juni 2014 (besluit 2) heeft het college de over de periode 28 september 2011 tot en met 28 februari 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
€ 27.989,08 van appellante teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 22 januari 2015 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellante in de periode van 28 september 2011 tot en met 28 februari 2014 feitelijk niet woonde op het uitkeringsadres. Zij heeft dat in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet aan het college gemeld, met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - samengevat - overwogen dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellante in de te beoordelen periode niet haar woon- en verblijfplaats heeft gehad op het uitkeringsadres. De rechtbank heeft daarbij betekenis toegekend aan de door appellante op

8 april 2014 afgelegde en ondertekende verklaring. Appellante heeft concreet en eenduidig verklaard dat zij, nadat zij in [woonplaats] kwam wonen, eerst een paar maanden bij haar ex-partner, [naam ex-partner], heeft ingewoond en dat zij de afgelopen twee jaar bij [naam ex-partner] is geweest en bij haar dochter in [plaatsnaam]. Voorts is van belang het extreem lage verbruik van water op het uitkeringsadres van slechts 6 m³ over de periode in geding, lees: de periode van 29 september 2011 tot en met 1 april 2014. Uit vaste rechtspraak volgt dat extreem laag waterverbruik de vooronderstelling rechtvaardigt dat de betrokken woning in beginsel niet als feitelijk hoofdverblijf heeft gediend (zie uitspraak van 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1124). Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat deze vooronderstelling in haar geval niet opgaat. De stelling dat zij geen wasmachine heeft, levert geen toereikende verklaring op voor het extreem lage waterverbruik dat ver ligt onder het gemiddelde van een huishouden als dat van haar. Verder is van belang dat tijdens de door het college verrichte waarnemingen in de periode van 17 januari 2014 tot en met 26 mei 2014 appellante niet in haar woning is gezien. Daarnaast is van belang de door [naam A], bovenbuurman van appellante, afgelegde verklaring. [naam A] heeft eenduidig verklaard dat vanaf het moment dat appellante de woning heeft gekregen, zij daar nooit heeft gewoond. Appellante heeft niet aan het college gemeld dat zij in de te beoordelen periode niet op het uitkeringsadres woonde. Daarmee heeft zij haar wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij betwist - kort gezegd - dat zij niet woonachtig was op het door haar opgegeven adres.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 28 september 2011, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 4 juni 2014, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormen in essentie een herhaling van wat zij reeds in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank dat appellante in de te beoordelen periode niet op het uitkeringsadres woonde en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel berust. Daaraan wordt toegevoegd dat tijdens het huisbezoek op 24 maart 2014 is geconstateerd dat in de woning van appellante een tv aanwezig was, maar dat die niet was aangesloten. In het loopgedeelte van de keuken hingen spinnenwebben. Voorts werden in de koelkast geen verse producten aangetroffen. Daarin werd wel een zestal geconserveerde producten aangetroffen waarvan de houdbaarheidsdatum voor of in 2013 was verstreken. In en buiten de woning was geen afvalcontainer aanwezig. In de kledingkast in de slaapkamer hingen drie zomerse kledingstukken, de kast was voor de rest leeg. Ook de bevindingen van het huisbezoek wijzen er dus op dat appellante in de te beoordelen periode niet haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Het voorgaande betekent dat het college gehouden was de bijstand in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. ter Brugge en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

IJ