Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4000

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
15/1856 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:636, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Vermogen in vorm van onroerend goed in Suriname. Geen voldoende gegevens met betrekking tot overdracht aan stichting. Schuld niet aannemelijk gemaakt. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1856 WWB

Datum uitspraak: 18 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [plaatsnaam] van

3 februari 2015, 14/3155 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Kuster, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2016. Namens appellant is

mr. Kuster verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn echtgenote, [naam echtgenote], ontvingen sinds 1 januari 2007 naast hun ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) als bedoeld in artikel 47a van de Wet werk en bijstand (WWB). Zij stonden ten tijde in geding in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans: Basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [Adres A] te [plaatsnaam].

1.2.

Naar aanleiding van een melding op 27 mei 2009 dat appellant al jarenlang in Suriname woont, hij daar verblijft op het adres [Adres B] te [Suriname] en daar bovendien inkomen heeft uit een eigen bedrijf, heeft de Svb op 21 augustus 2009 de Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te [Suriname] (attaché) verzocht een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan appellant en zijn echtgenote verleende AIO-aanvulling. De attaché heeft bij brief van 5 oktober 2009 aan de Svb gemeld dat zich op het adres [Adres B] te [Suriname] een perceel met daarop een groot winkelpand, met aan de achterzijde een bovenwoning, bevindt en dat appellant desgevraagd daarover heeft verklaard dat de winkel al enkele jaren gesloten is, hij de enige eigenaar van het bedrijf was, hij nog steeds eigenaar van het perceel met de opstal is en dat het pand wordt bewoond door zijn zoon met diens gezin.

1.3.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 19 november 2012, dat appellant en zijn echtgenote al jaren elf maanden per jaar in Suriname verblijven in een woning op het adres [Adres B] te [Suriname], heeft de Svb opnieuw een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en zijn echtgenote verleende AIO-aanvulling. In dat kader heeft de Svb appellant en zijn echtgenote op 8 april 2013 en op 30 mei 2013 gehoord. Tijdens het gesprek op 8 april 2013 hebben appellant en zijn echtgenote verklaard dat zij jaarlijks drie tot zes maanden in Suriname verblijven, dat zij dan verblijven op het adres [Adres B] te [Suriname], dat dit adres uit een woning en een winkel bestaat, waarvan appellant vroeger de eigenaar was en dat de eigendom nu in handen is van de kinderen van appellant. Tijdens het gesprek op 30 mei 2013 hebben appellant en zijn echtgenote verklaard dat het perceel aan de [Adres B], te [Suriname], in een stichting is ondergebracht. De bevindingen van de Svb zijn neergelegd in een handhavingsrapportage van 11 juli 2013. Bij brief van 25 juli 2013 heeft de Svb appellant meegedeeld dat van de attaché gegevens zijn ontvangen, waaronder een taxatierapport van 15 juli 2013, een hypothecair uittreksel van

9 juli 2013 en een afschrift van de akte van koop en verkoop van 11 maart 1971. Uit deze gegevens blijkt onder meer dat zich op het perceel aan de [Adres B], te [Suriname] twee panden bevinden die met elkaar in verbinding staan, dat de getaxeerde waarde van deze panden inclusief de grond € 212.960,- bedraagt, dat appellant sinds 29 maart 1971 eigenaar is van het perceel en dat de eigendom niet is bezwaard met hypothecaire of andere lasten.

1.4.

Bij besluit van 31 juli 2013 heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellant en zijn echtgenote met ingang van januari 2007 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 juli 2013 betaalde AIO-aanvulling tot een bedrag van € 53.536,56 van appellant en zijn echtgenote teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant en zijn echtgenote vanaf januari 2007 over een vermogen beschikten dat de voor hen geldende grens van het vrij te laten vermogen overschreed.

1.5.

Bij besluit van 1 april 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant en zijn echtgenote tegen het besluit van 31 juli 2013, voor zover gericht tegen de intrekking, ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat appellant met de op 1 april 1980 gedateerde en tijdens de hoorzitting op 19 november 2013 overgelegde schuldbekentenis niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij van [naam A] USD 200.000,- heeft geleend en dat aan die lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Het bezwaar gericht tegen de terugvordering heeft de Svb in zoverre gegrond verklaard, dat de Svb in de omstandigheid dat zij in 2009 nalatig is geweest een nader vermogensonderzoek te doen een dringende reden heeft gezien om het terug te vorderen bedrag te verlagen naar € 28.865,81.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst naar rechtsoverweging 3 van de aangevallen uitspraak.

4.1.

Eigendom van onroerende zaken is een gegeven dat van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Niet in geschil is dat de onroerende zaak in Suriname gedurende de hier te beoordelen periode, die loopt van 1 januari 2007 tot en met 31 juli 2013, op naam van appellant stond geregistreerd. Door hiervan geen mededeling te doen aan de Svb heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Anders dan appellant meent, doet hieraan niet af dat hij de onroerende zaak later, op 10 september 2014, heeft overgedragen aan de stichting [naam stichting] (stichting), reeds omdat die overdracht na de te beoordelen periode heeft plaatsgevonden.

4.2.

Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover betrokkene daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.3.

Appellant is daarin niet geslaagd. Onvoldoende is de enkele stelling van appellant, dat hij een moreel beletsel voelt om de onroerende zaak te verkopen nu er een gezin woont. Overigens blijkt uit het feit dat appellant de onroerende zaak op 10 september 2014 aan de stichting heeft overgedragen dat hij hierover wel degelijk - ook reeds in de te beoordelen periode - kon beschikken. Daarbij wordt - voor dit geding ten overvloede - opgemerkt dat, ook indien appellant de onroerende zaak om niet zou hebben verkocht en met de verkoop vooral wilde bereiken dat de onroerende zaak niet langer op zijn naam in het kadaster vermeld zou staan, dit de beschikkingsmacht onverlet laat. Vergelijk de uitspraak van 3 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1946. Het betoog dat appellant in elk geval vanaf het moment van de overdracht aan de stichting niet over de onroerende zaak kon beschikken, zodat de Svb de AIO-aanvulling vanaf 10 september 2014 had moeten doorbetalen, wordt niet gevolgd. Appellant heeft niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens inzichtelijk gemaakt onder welke voorwaarden, afgezien van het levenslange recht van vruchtgebruik van appellant en zijn echtgenote, en tegen betaling van welk bedrag de overdracht aan de stichting heeft plaatsgevonden. Hij heeft dus evenmin aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 10 september 2014 wel in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.4.1.

Appellant stelt dat hij voor de aankoop van de onroerende zaak in Suriname bij

[naam A] een lening heeft afgesloten van USD 200.000,- die als negatief bestanddeel van het vermogen in aanmerking moet worden genomen, nu daaraan een daadwerkelijke aflossingsverplichting is verbonden.

4.4.2.

Schulden kunnen in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving ten aanzien van het vermogen van de betrokkene uitsluitend in aanmerking worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan, dat zij opeisbaar zijn en dat de crediteur de opeisbare betalingsverplichting daadwerkelijk afdwingt.

4.4.3.

De door appellant in de bezwaarprocedure overgelegde schuldbekentenis is onvoldoende om het daadwerkelijke bestaan van de schuld aannemelijk te achten. In de schuldbekentenis zijn geen afspraken vermeld met betrekking tot het karakter van de lening en evenmin met betrekking tot de terugbetaling ervan. De door appellant gestelde afspraak, dat de lening wordt ingelost met de opbrengst van het huis, is evenmin in de schuldbekentenis vermeld. Dat de lening verband houdt met de aanschaf van de onroerende zaak in Suriname, zoals door appellant gesteld, is voorts niet aannemelijk gemaakt, te meer niet nu daarover in de overgelegde schuldbekentenis niets is vermeld en zij ruim negen jaar nadat appellant eigenaar van het perceel was geworden is opgesteld. Bovendien heeft appellant ten tijde van de toekenning van de AIO-aanvulling, noch tijdens het onderzoek in 2009 melding gemaakt van deze schuld. Aan die schuldbekentenis komt daarom, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, niet die betekenis toe die appellant daaraan gehecht wenst te zien.

4.5.

Gelet op 4.1 tot en met 4.4.3 was de Svb gehouden op grond van artikel 54, derde lid in verbinding met 47a van de WWB de AIO-aanvulling van appellant en zijn echtgenote met ingang van 1 januari 2007 in te trekken. Voorts was de Svb gehouden op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB de ten onrechte betaalde AIO-aanvulling over de periode van

1 januari 2007 tot en met 31 juli 2013 van appellant en zijn echtgenote terug te vorderen.

4.6.

Appellant heeft zich nog beroepen op dringende redenen om van terugvordering af te zien. In elk geval had de terugvordering volgens appellant verder moeten worden gematigd dan het college in het bestreden besluit heeft gedaan. Op grond van artikel 58, achtste lid, van de WWB zoals dat luidt vanaf 1 januari 2013, kan het bijstandverlenend orgaan op grond van dringende redenen besluiten geheel of ten dele van terugvordering af te zien. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1457, heeft overwogen kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. Appellant heeft wel gesteld dat de schrijnende financiële situatie waarin hij mede als gevolg van het wegvallen van de AIO-aanvulling verkeert op zijn hoge leeftijd en met zijn fysiek zwakke gesteldheid grote psychische druk met zich brengt, maar hij heeft die stelling niet met medische stukken onderbouwd. Daarmee heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat zich in zijn geval dringende redenen voordoen als hier bedoeld.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. ter Brugge en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

ew