Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3989

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
15/2313 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet gemelde bewind voering over financiën tante. Overboekingen naar eigen rekening. Beschikkingsmacht. Niet gemelde nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2313 WWB

Datum uitspraak: 18 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

24 februari 2015, 14/9836 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard (college)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeentelijke herindeling bij wet van 19 juni 2014 tot samenvoeging van de gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist (Staatsblad 2014, 252) oefent het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard per 1 januari 2015 de bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling K5-gemeenten. In deze uitspraak wordt onder het college (mede) verstaan het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling

K5-gemeenten.

Namens appellant heeft mr. L.C.H. Karstanje, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Karstanje. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. M. Moberg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang sinds 28 april 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), tot 17 november 2012 naar de norm voor een alleenstaande ouder en sindsdien naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Het college heeft bij brief van 2 juli 2013 van klantmanager [naam] (klantmanager) appellant verzocht om bepaalde, in die brief vermelde, gegevens over te leggen, teneinde zijn schuldenpositie opnieuw te kunnen vaststellen. Aanleiding hiertoe was een bericht van 27 juni 2013, ontvangen van een deurwaarder, over de opheffing van een beslag op een uitkering van appellant. Appellant is bij die brief verzocht om een kopie van bankafschriften dan wel een uitdraai internetbankieren van al zijn betaal- en spaarrekeningen over de periode van 1 april 2013 tot en met 1 juli 2013 en een kopie van bewijsstukken van zijn recente schulden over te leggen. Naar aanleiding van de schriftelijke reactie van appellant van 27 november 2013 heeft de klantmanager zijn bevindingen tot dan toe neergelegd in een rapport van 20 december 2013.

1.3.

Bij brief van 7 april 2014 heeft de klantmanager appellant opnieuw verzocht gegevens over te leggen in het kader van het onderzoek naar zijn vermogenssituatie. Hij heeft appellant daarbij verzocht om voor 21 april 2014 de volgende gegevens over te leggen: bankafschriften van rekeningnummer [nummer 1] , met zichtbaar saldo per 17-11-12, een kopie van het aankoopbewijs van een voertuig met kenteken [kenteken 1] , dat per 21 januari 2013 op zijn naam stond geregistreerd, een kopie van het aankoopbewijs van een voertuig met kenteken [kenteken 2] , dat per 25 januari 2013 op zijn naam stond geregistreerd, een schriftelijke verklaring hoe hij aan het geld voor de aanschaf van die voertuigen is gekomen, met bewijsstukken, en waarom hij daarvan geen melding heeft gemaakt, een kopie van de bankafschriften, met zichtbaar saldo, over de periode van 1 oktober 2013 tot en met

31 maart 2014 van de rekeningnummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] . Naar aanleiding daarvan heeft appellant verzocht om een gesprek met de klantmanager. Deze heeft het onderzoek overgedragen aan twee sociaal rechercheurs van het Regionaal Instituut Sociale Recherche, verbonden aan de gemeente Gouda (sociaal rechercheurs). Deze hebben op

17 april 2014 met appellant een gesprek gevoerd over zijn vermogenssituatie aan de hand van de opgevraagde gegevens, waarvan appellant een deel had overgelegd. Tijdens dit gesprek heeft appellant verklaard dat hij met ingang van 1 augustus 2012 was benoemd tot bewindvoerder van zijn tante (tante) en voorts dat de tante in november 2013 is overleden en dat de nalatenschap en successie volledig waren afgewikkeld. De bevindingen van de sociaal rechercheurs zijn neergelegd in een rapport van 22 april 2014. Het onderzoek is voortgezet door de klantmanager.

1.4.

Bij besluit van 24 april 2014 (besluit 1) heeft het college het recht op bijstand van appellant opgeschort met ingang van 21 april 2014 en appellant daarbij in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 8 mei 2014 de nog ontbrekende gegevens en tevens gegevens over een bij de Kamer van Koophandel (KvK) op zijn naam gesteld bedrijf, genaamd [bedrijf] , over te leggen. Appellant heeft hierop op 7 mei 2014 schriftelijk gereageerd, doch niet de opgevraagde gegevens overgelegd.

1.5.

De onderzoeksbevindingen van de klantmanager zijn neergelegd in een rapport van

12 mei 2014.

1.6.

Bij besluit van 16 mei 2014 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken met ingang van 21 april 2014. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet de opgevraagde stukken heeft ingeleverd binnen de daartoe gestelde termijn.

1.7.

Bij besluit van 5 juni 2014 (besluit 3) heeft het college de bijstand van appellant op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB ingetrokken met ingang van 1 augustus 2012 en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 2012 tot en met 20 april 2014 tot een bedrag van € 26.637,01 van hem teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting, zodat het recht op bijstand niet meer is vast te stellen.

1.8.

Bij besluit van 7 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen besluit 2 en besluit 3 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft op de hierna te bespreken gronden hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak ingesteld voor zover deze het bestreden besluit ten aanzien van besluit 2 en besluit 3 betreft. Appellant heeft daarbij te kennen gegeven dat als het hoger beroep met betrekking tot besluit 3 niet slaagt hij het hoger beroep met betrekking besluit 2 niet handhaaft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Besluit 3

4.1.

Gelet op het standpunt van appellant in hoger beroep ligt hier allereerst de aangevallen uitspraak met betrekking tot besluit 3 voor.

4.2.

De door de bestuursrechter te beoordelen periode loopt van 1 augustus 2012, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 5 juni 2014, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Bewind

4.4.

Niet in geschil is dat appellant met ingang van 1 augustus 2012 tot bewindvoerder over zijn tante is benoemd. Evenmin is in geschil dat appellant in verband daarmee bedragen van haar bankrekening heeft overgemaakt naar zijn eigen bankrekening.

4.5.

Vaststaat dat appellant het college niet op de hoogte heeft gebracht van het feit dat hij tot bewindvoerder over zijn tante was benoemd en evenmin van het feit dat hij bedragen van haar bankrekening had overgemaakt naar zijn eigen bankrekening.

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat het bewind en de daarmee samenhangende geldstromen een privé-aangelegenheid tussen hem en zijn tante betrof, zodat hij het college hierover niet behoefde te informeren. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het feit dat appellant kon beschikken over de van de bankrekening van zijn tante afkomstige middelen was immers evident van mogelijke betekenis voor de mate van zijn bijstandbehoevendheid. Het had appellant dan ook redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij dit behoorde te melden.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat appellant gedurende de periode van het bewind niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting.

4.8.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.9.

Appellant heeft in dit verband aangevoerd - zo begrijpt de Raad - dat hij over de in 4.4 bedoelde bedragen redelijkerwijs niet kon beschikken, omdat die toebehoorden aan zijn tante. Hij heeft die bedragen dan ook niet kunnen aanwenden voor de kosten van zijn eigen levensonderhoud. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.9.1.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.9.2.

Appellant is hierin niet geslaagd. De enkele stelling van appellant dat hij de bedoeling had om de bedragen naar zijn bankrekening over te maken om betalingen voor zijn tante te verrichten is hiertoe onvoldoende. Anders dan appellant meent, mocht het college onderbouwing verlangen van zijn stelling dat hij van die overgemaakte bedragen feitelijk uitsluitend uitgaven ten behoeve van zijn tante heeft gedaan. Appellant heeft geen van zijn stellingen onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. De omstandigheid dat hij beschikt over diverse mappen met bonnetjes, zoals hij naar voren heeft gebracht, vormt mogelijk een indicatie dat hij uitgaven heeft gedaan voor zijn tante, maar is onvoldoende om aan te nemen dat hij niet vrijelijk kon beschikken over alle op zijn bankrekening bijgeschreven bedragen, zodat hij daarvan ook voor zichzelf uitgaven kon doen. De omstandigheid dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, geen boekhouder is, zodat hij geen andere gegevens over door hem verrichte betalingen en over de geldstromen van en naar de bankrekeningen kan verstrekken komt voor zijn rekening en risico. Daarbij komt dat appellant met betrekking tot het bewind in het geheel geen gegevens heeft overgelegd, zodat niet is te bepalen wat de omvang was van de middelen waarover hij als gevolg daarvan heeft kunnen beschikken.

4.10.

Aangezien appellant het bewind over zijn tante tot aan haar overlijden heeft gevoerd was als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet vast te stellen over de periode van 1 augustus 2012 tot in november 2013. Dit betekent dat het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB gehouden was de bijstand over die periode in te trekken.

Nalatenschap

4.11.

Niet in geschil is, zoals eerder vermeld, dat appellant ten tijde van het overlijden van zijn tante in november 2013 bewindvoerder over haar was en dat er een nalatenschap van zijn tante was.

4.12.

Het staat vast dat appellant het college niet op de hoogte heeft gebracht van de nalatenschap. Aan appellant had redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij verplicht was het college te informeren over de nalatenschap en de omvang daarvan. De uit de nalatenschap voortvloeiende middelen kon hij immers in beginsel aanwenden voor de kosten van zijn levensonderhoud.

4.13.

Wat in 4.11 en 4.12 is overwogen betekent dat appellant ook vanaf het overlijden van de tante in november 2013 de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zoals uit 4.8 volgt levert dit in beginsel een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand.

4.14.

Appellant is er ook ten aanzien van de periode na het overlijden van zijn tante niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Hij heeft ten aanzien van de nalatenschap immers in het geheel geen gegevens overgelegd.

4.15.

Uit 4.11 tot en met 4.14 volgt dat het recht op bijstand van appellant vanaf het overlijden van de tante in november 2013 niet was vast te stellen doordat appellant niet had voldaan aan zijn inlichtingenverplichting ter zake van de nalatenschap. Het college was op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB dan ook eveneens gehouden de bijstand over de periode vanaf de datum van het overlijden van de tante in te trekken.

Voertuigen, bedrijf

4.16.

Uit 4.10 en 4.15 volgt reeds dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit tot intrekking van de bijstand over de te beoordelen periode in rechte stand houdt. De onduidelijkheid over de geldstromen in verband met de op naam van appellant geregistreerde voertuigen en over het bedrijf [bedrijf] , dat bij de KvK op naam van appellant was geregistreerd, kan hier daarom buiten bespreking blijven.

Terugvordering

4.17.

Appellant heeft geen zelfstandige beroepsgronden tegen de terugvordering aangevoerd. Dit onderdeel van de aangevallen uitspraak behoeft daarom geen bespreking.

Besluit 2

4.18.

Gelet op 4.10 en 4.15, bezien in samenhang met het standpunt van appellant zoals verwoord onder 3, behoeft besluit 2 geen bespreking meer.

4.19.

Op grond van wat in 4.10 en 4.15 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en J.L. Boxum en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2016.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) A. Stuut

HD