Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3986

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
15-1297 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Van moeder ontvangen bedragen. Middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15 1297 WWB

Datum uitspraak: 18 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

20 januari 2015, 14/2668 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.J.H. Habers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Voor appellant is verschenen mr. Habers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.P.M. Spoolder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 15 maart 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. Sinds januari 2011 ontving hij tevens bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag.

1.2.

Een inkomensconsulent van de gemeente Enschede heeft in verband met een heronderzoek woonkostentoeslag contact gezocht met appellant. Appellant heeft vervolgens op 16 juli 2013 mondeling informatie gegeven aan het Gemeentelijk Contact Centrum. Dit gesprek was voor het college aanleiding nader onderzoek te verrichten naar onder andere de bankafschriften van appellant. Het college heeft appellant bij brief van 21 augustus 2013 gevraagd bankafschriften van de laatste drie maanden over te leggen. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften blijkt dat in de periode van 14 november 2012 tot en met

26 augustus 2013 bijschrijvingen hebben plaatsgevonden op de bankrekening van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.558,-. Tijdens het onderzoek is verder naar voren gekomen dat appellant op 3 januari 2013 en 14 maart 2013 kasstortingen van respectievelijk € 3.000,- en

€ 2.500,- op de bankrekening van zijn vriendin (R) heeft verricht. Appellant heeft in een

e-mailbericht van 19 februari 2014 verklaard dat deze bedragen leningen van zijn moeder betreffen. Hij heeft de bedragen contant gekregen om een betaling van de hypotheek te kunnen voldoen. Hij heeft het geld op de bankrekening van R gestort omdat hij op dat moment geen storting kon doen op zijn eigen bankrekening omdat er beslag op zou liggen. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in rapporten van 29 augustus 2013 en 7 mei 2014.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

14 mei 2014 de bijstand van appellant over de maanden januari en maart 2013 in te trekken en de bijstand te herzien over de overige maanden in de periode oktober 2012 tot en met augustus 2013. Het college heeft verder de over de periode oktober 2012 tot en met augustus 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.606,56 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Het college heeft het tegen het besluit van 14 mei 2014 gerichte bezwaar bij besluit van 15 juni 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het college heeft, voor zover hier van belang, aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat de stortingen op de bankrekening van appellant en de bedragen die hij van zijn moeder heeft ontvangen als inkomen aangemerkt moeten worden. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van het door hem genoten inkomen. Als gevolg daarvan heeft hij ten onrechte, dan wel tot een te hoog bedrag, bijstand ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is alleen nog in geschil of het college op goede gronden de bedragen van

€ 3.000,- en € 2.500,- als inkomen in aanmerking heeft genomen.

4.2.

Appellant heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de in 4.1 genoemde bedragen niet als inkomen kunnen worden aangemerkt omdat hij daarover niet de beschikking heeft gehad. Hij heeft deze bedragen nooit in handen gehad. Zijn moeder heeft de beide bedragen rechtstreeks aan R gegeven, die deze bedragen heeft aangewend om hypotheeklasten van appellant te voldoen.

4.3.

Deze grond slaagt niet. In het in 1.2 genoemde e-mailbericht van 19 februari 2014 verklaart appellant immers dat hij beide bedragen contant van zijn moeder heeft ontvangen. Dat dit het geval is geweest, vindt ook steun in de door appellant overgelegde leenovereenkomsten van 3 januari 2013 en 14 maart 2013. In beide overeenkomsten staat dat het krediet ter beschikking komt door contante overdracht en door de kredietnemer (lees: appellant) onmiddellijk op zijn rekening gestort dient te worden. De enkele stelling ter zitting dat appellant, anders dan hij eerder verklaard heeft, nooit de beschikking heeft gehad over de bedragen van € 3.000,- en € 2.500,- vormt geen reden hem niet aan zijn eerdere verklaring te houden.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2016.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) C. Moustaïne

HD