Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3983

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
15-114 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand. Vermogen boven de grens. Thema controle gemeente Zaandam niet onrechtmatig. Geen onrechtmatig onderzoek bij instanties in Turkije.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/114 WWB, 15/115 WWB

Datum uitspraak: 18 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 4 december 2014, 14/538 en 14/2210 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zaandam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft verweerschriften en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Voor appellante is

mr. Küçükünal verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.G. Böhm.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft de Turkse en Nederlandse nationaliteit. Zij ontving sinds 22 mei 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, sinds 1 januari 2004 ingevolge de Wet werk en bijstand.

1.2.1.

Consulenten handhaving van de gemeente Zaanstad hebben begin 2012 in het kader van een themacontrole onderzoek verricht. Hierbij hebben zij vier groepen geselecteerd. Dit betreft:

1. alleenstaande ouders met een kind jonger dan vier jaar;

2. gehuwden met een alleenstaande (ouder)uitkering;

3. partieel werkenden in risicobanen;

4. een controlegroep van vijftig at random geselecteerde dossiers .

1.2.2.

De controlegroep is geselecteerd aan de hand van een quickscan. Hierbij zijn de volgende criteria gehanteerd:

- personen woonachtig in Oostzaan of Zaanstad;

- personen met een uitkering;

- de uitkering is niet opgeschort;

- de uitkering loopt langer dan drie maanden;

- het dossiernummer van de uitkering komt niet voor in de eerste drie in 1.2.1 genoemde groepen;

- het tweede getal van het dossiernummer is een vijf. Het getal vijf is met een randomgenerator bepaald;

- van deze dataset zijn de eerste vijftig records genomen.

1.2.3.

Het dossier van appellante is in de vierde groep naar boven gekomen. Omdat bij het daarop volgende onderzoek werd vastgesteld dat appellante de maximale periode op vakantie gaat, maar ook voor langere perioden dan toegestaan, heeft het college het Internationaal Bureau Fraude-Informatie (IBF) verzocht een onderzoek in te stellen naar het vermogen van appellante in Turkije.

1.2.4.

Het IBF heeft de resultaten van dat onderzoek neergelegd in een Rapportage vermogensonderzoek Turkije van 21 november 2012. Hierin staat, voor zover hier van belang, dat een belastingaangifte aanwezig is, waaruit blijkt dat appellante vanaf 7 september 2007 een appartement bezit met een actuele waarde van € 143.753,-.

1.2.5.

Vervolgens hebben sociaal rechercheurs van de Afdeling Werk, Participatie en Inkomen, Sector Werk & Inkomen, van de gemeente Zaanstad nader onderzoek verricht. In dat kader hebben zij onder andere appellante verhoord en haar zoon gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 oktober 2013.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

23 oktober 2013 de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2013 in te trekken. Het college heeft het daartegen gerichte bezwaar bij besluit van 13 januari 2014 (bestreden

besluit 1) ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante over een vermogen beschikt van € 143.753,-. Dat is meer dan het voor haar geldende vrij te laten vermogen.

1.4.

Appellante heeft op 11 november 2013 een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 18 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 april 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan appellante na de eerdere intrekking in aanmerking komt voor bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft tegen bestreden besluit 2 geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.2.1.

Met betrekking tot bestreden besluit 1 voert appellante in de eerste plaats aan dat het in het kader van de themacontrole verrichte onderzoek onrechtmatig is. Dat is het geval omdat het onderzoek enkel gericht is op uitkeringsgerechtigden met een Turkse nationaliteit. Omdat dit onderscheid niet objectief gerechtvaardigd is, is het onderzoek strijdig met artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.2.2.

Deze grond slaagt niet. Het dossier van appellante is naar boven gekomen in de at random geselecteerde controlegroep. Uit 1.2.1 tot en met 1.2.3 blijkt op geen enkele wijze dat nationaliteit een criterium is geweest bij de themacontrole. Van een onderscheid naar nationaliteit is, anders dan appellante stelt, geen sprake. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting betoogd dat niet enkel moet worden gekeken naar wat op papier staat, maar dat ook moet worden gekeken naar de praktische kant van het geheel. Dat juist het dossier van appellante bij de themacontrole naar boven kwam en naar aanleiding van de inhoud van haar dossier verder onderzoek is gedaan, betekent niet dat de door het college gehanteerde criteria voor het onderzoek een (indirect) onderscheid maken naar nationaliteit.

4.3.1.

Appellante voert voorts - verkort weergegeven - aan dat het door het IBF in Turkije verrichte onderzoek onrechtmatig is. Dat is het geval omdat volgens appellante naar Turks recht alleen een rechthebbende in Turkije een verzoek kan indienen bij het kadaster. Deze rechthebbende moet, als het verzoek kadastrale gegevens betreft, in het bezit zijn van een Turks identiteitsbewijs waarop het Turkse burgerservicenummer staat. Het door het IBF verrichte kadastraal onderzoek is gelet hierop onrechtmatig. De verkregen informatie moet om die reden buiten beschouwing worden gelaten.

4.3.2.

Deze grond slaagt evenmin. Het onderzoek naar het appartement dat aan de besluitvorming ten grondslag ligt, heeft plaatsgevonden bij de afdeling onroerende

zaakbelasting van de gemeente [gemeente 1] (afdeling OZB), waar bleek dat appellante een belastingaangifte had ingediend voor dat appartement. Het IBF heeft weliswaar bij het kadaster van de gemeente [gemeente 2] gegevens opgevraagd en verkregen, maar die gegevens betreffen vier percelen en een huis in [gemeente 2] . Deze onroerende zaken heeft het college niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. De rechtmatigheid van het kadastrale onderzoek behoeft gelet hierop geen bespreking in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de besluitvorming die nu voorligt. Voor zover appellante ter zitting heeft aangevoerd dat ook de van de afdeling OZB verkregen informatie onrechtmatig is verkregen, omdat daarvoor waarschijnlijk vergelijkbare regels zullen gelden als voor het verkrijgen van kadastrale gegevens, geldt dat appellante daarmee de door haar gestelde onrechtmatigheid van het onderzoek onvoldoende heeft onderbouwd.

4.4.1.

Appellante voert tot slot aan dat het appartement ten onrechte tot haar vermogen wordt gerekend, omdat de woning tot de nalatenschap van haar echtgenoot behoort. Appellante heeft slechts voor ¼ deel aanspraak op die nalatenschap. Zij heeft het vruchtgebruik van het aandeel van de kinderen.

4.4.2.

Ook deze grond slaagt niet. Appellante heeft het appartement gekocht na het overlijden van haar echtgenoot. Het appartement staat in het daarvoor bestemde eigendomsregister, blijkens de door appellante tijdens haar verhoor afgelegde verklaring, op haar naam. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is daarin niet geslaagd. Zij heeft niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd dat het appartement haar niet of niet geheel in eigendom toebehoort.

4.5.

Uit 4.2.2, 4.3.2 en 4.4.2 volgt dat de door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen. Gelet hierop en gelet op 4.1 zullen de beide aangevallen uitspraken worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2016.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) C. Moustaïne

HD