Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3975

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
21-10-2016
Zaaknummer
16/134 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om intrekking van een in rechte onaantastbaar ontslagbesluit. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Onvoldoende grond om te oordelen dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/134 AW

Datum uitspraak: 20 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

10 december 2015, 15/863 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. A.G. Kerkhof, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2016. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kerkhof en

mr. M.H.P. Lucassen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 maart 1978 werkzaam bij de gemeente Nederweert, laatstelijk in de functie van [functie] bij de afdeling [afdeling] . Het college heeft, voor zover in dit geding van belang, appellant met ingang van 1 november 2010 ontslag verleend (ontslagbesluit). Bij uitspraak van 2 augustus 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX3521) heeft de Raad, beslissend op het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2010, de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Daarbij heeft de Raad geoordeeld dat het college op grond van artikel 8:8 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) bevoegd was appellant te ontslaan vanwege ernstig en duurzaam verstoorde verhoudingen. De Raad heeft zelf in de zaak voorzien en appellant alsnog een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 10d:10 en volgende van de CAR/UWO en een na-wettelijke uitkering als bedoeld in artikel 10d:12 en volgende van de CAR/UWO toegekend.

1.2.

Bij uitspraak van 18 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1058) heeft de Raad een verzoek om herziening van de uitspraak van 2 augustus 2012 afgewezen. Bij uitspraak van 18 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1952) heeft de Raad een hernieuwd verzoek om herziening afgewezen.

1.3.

Bij brief van 20 februari 2015 heeft appellant het college verzocht om het ontslagbesluit in te trekken. Het college heeft het verzoek van appellant bij besluit van 10 maart 2015 (bestreden besluit) afgewezen.

1.4.

Appellant heeft tegen dit besluit op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rechtstreeks beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft verzocht om intrekking van een in rechte onaantastbaar besluit. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2045) is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.2.

Appellant heeft, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Er is sprake van nieuwe feiten, omdat is gebleken dat de gemachtigde van het college onrechtmatige adviezen heeft uitgebracht aan het college, er bewust geen correcte toepassing is gegeven aan de Regeling klokkenluiders en het beleid over pesten op het werk. Adviezen van bedrijfsartsen en het UWV zijn bewust niet opgevolgd en niet aan de rechtbank toegezonden. Dit alles was erop gericht om appellant te ontslaan. Appellant heeft er verder op gewezen dat onderzoek heeft uitgewezen dat hij is gepest op het werk en daardoor een posttraumatische stressstoornis heeft opgelopen.

4.3.

Dit zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het zijn argumenten waarvan niet kan worden ingezien dat appellant die niet al naar voren had kunnen brengen in de procedure die uiteindelijk tot de uitspraak van 2 augustus 2012 heeft geleid. De stukken die appellant in beroep en hoger beroep heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn argumenten betreffen evenmin nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Naar vaste rechtspraak kunnen bovendien stukken die niet bij het bestuursorgaan bekend waren ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en die eerst in beroep of in hoger beroep zijn overgelegd bij de beoordeling van de weigering om terug te komen van een eerder genomen besluit niet worden betrokken bij de rechterlijke beoordeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO8674).

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het college het verzoek van appellant mocht afwijzen met verwijzing naar het in rechte onaantastbaar geworden ontslagbesluit. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.1.

Het college heeft verzocht appellant te veroordelen in de door het college in hoger beroep gemaakte proceskosten wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het college heeft gewezen op de onder 1.2 vermelde herzieningsverzoeken met hetzelfde doel. Hierin ziet de Raad onvoldoende grond om te oordelen dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De omstandigheid dat de door appellant bij de verzoeken om herziening naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet tot herziening van de uitspraak van 2 augustus 2012 hebben geleid, laat immers onverlet dat het college de bevoegdheid heeft om terug te komen van een eerder genomen besluit. De Raad wijst er in dit verband nog op dat appellant het college niet eerder heeft verzocht om terug te komen van het ontslagbesluit.

5.2.

Ook anderszins bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A. Mansourova

HD