Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
25-10-2016
Zaaknummer
16/130 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant was bevoegd om betrokkene te ontslaan wegens het verlies van de BOA-bevoegdheid. Mede gelet op de grond waarop deze bevoegdheid door de staatssecretaris is ingetrokken, te weten het ontbreken van vertrouwen wegens het onderhouden van criminele contacten met R, heeft appellant in redelijkheid kunnen besluiten om betrokkene te ontslaan met toepassing van artikel 8:7, aanhef en onder a, van de CAR/UWO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2016/406
TAR 2017/3

Uitspraak

16/130 AW, 16/1959 AW

Datum uitspraak: 20 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

27 november 2015, 14/4940 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.C. Danel, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Verberne en mr. E. Adriaan. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Danel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is per 1 maart 2010 aangesteld in tijdelijke dienst tot 1 maart 2012 in de functie van [functie] (straatcoach) bij het cluster [cluster] , team [team 1] . Op 24 november 2011 is aan betrokkene opsporingsbevoegdheid verleend als buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) voor het domein Openbare Ruimte. Per 1 maart 2012 is de aanstelling gewijzigd in een aanstelling in algemene dienst in de functie van [functie] bij het cluster [cluster] , team [team 2] . Per 1 november 2012 is de tijdelijke aanstelling van betrokkene omgezet in een vast dienstverband.

1.2.

Op 7 februari 2014 heeft de plaatsvervangend teamchef van het [team 3] van de [Eenheid] , District [District] appellant bericht dat op het adres waar betrokkene woonachtig is, sinds 3 februari 2014 een “zwacri subject” staat ingeschreven.

1.3.

Bij besluit van 25 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 september 2014, heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de opsporingsbevoegdheid van betrokkene ingetrokken, omdat zijn betrouwbaarheid is aangetast vanwege het onderhouden van contact met topcrimineel R.

1.4.

Op 16 mei 2014 heeft appellant het voornemen kenbaar gemaakt betrokkene een disciplinaire straf op te leggen wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Nadat betrokkene hierop zijn zienswijze heeft gegeven, heeft appellant bij besluit van 17 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 oktober 2014 (bestreden besluit), betrokkene primair onvoorwaardelijk strafontslag gegeven op grond van artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), subsidiair ontslag gegeven vanwege het verlies van een aanstellingsvereiste op grond van artikel 8:7, onder a, van de CAR/UWO en meer subsidiair ontslag gegeven vanwege ongeschiktheid op grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO.

1.5.1.

Aan het onvoorwaardelijk strafontslag is ten grondslag gelegd dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim, bestaande uit:

a. het afleggen van een onjuiste verklaring dat de functie van straatcoach van betrokkene door de officier van justitie en de rechter-commissaris juist als voordeel werd gezien bij het opheffen van de voorlopige hechtenis van R;

b. het gedurende lange tijd onderhouden van ongewenste persoonlijke contacten met, dan wel het onvoldoende afstand houden tot, onder meer ‘topcrimineel’ R;

c. het verlenen van onderdak aan R, van wie de voorlopige hechtenis (overleveringsdetentie) werd geschorst op voorwaarde dat hij zich zou laten inschrijven op het woonadres van appellant;

d. het onderhouden van ongewenste persoonlijke contacten met crimineel L, van wie betrokkene in het zienswijzegesprek heeft gezegd dat hij een jeugdvriend is.

Deze gedragingen zijn onverenigbaar met de functie van betrokkene, zijnde medewerker toezicht met een opsporingsbevoegdheid. Daarnaast zijn de criminele contacten schadelijk voor de geloofwaardigheid en het aanzien van zowel de medewerkers toezicht als de gemeente [gemeente] . Betrokkene had dit moeten en kunnen begrijpen.

1.5.2.

Aan het subsidiaire ontslag wegens het verlies van een aanstellingsvereiste ligt ten grondslag dat appellant geen functie voor betrokkene heeft als hij geen opsporingsbevoegdheid (BOA-bevoegdheid) heeft.

1.5.3.

Aan het meer subsidiaire ontslag wegens ongeschiktheid ligt ten grondslag dat bij betrokkene het inzicht ontbreekt in de gevolgen van eigen handelen en dat criminele contacten onverenigbaar zijn met zijn functie. Hiermee geeft betrokkene er blijk van niet te beschikken over de voor zijn functie vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat alleen de gedragingen genoemd onder 1.5.1, b en c zijn komen vast te staan en plichtsverzuim opleveren. Deze gedragingen kunnen de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet dragen.

Ook het ontslag wegens het verlies van een aanstellingsvereiste kan geen stand houden, omdat uit de gedingstukken niet blijkt dat benoeming tot buitengewoon opsporingsambtenaar

(BOA-ambtenaar) een vereiste is om de functie te kunnen vervullen. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het feitencomplex toereikend is voor een ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie anders dan wegens ziekte. Betrokkene had vanuit zijn functie kunnen en moeten begrijpen dat hij zich als ambtenaar met opsporingsbevoegdheid had moeten onthouden van vergaande contacten met een crimineel. Betrokkene heeft als straatcoach bovendien een voorbeeldfunctie voor jongeren. Betrokkene brengt aldus zijn integriteit en die van de gemeente in gevaar, hetgeen plichtsverzuim oplevert en betekent dat hij niet beschikt over de karaktereigenschappen die voor een goede en verantwoorde vervulling van de functie van straatcoach met opsporingsbevoegdheid nodig zijn. Bovendien heeft betrokkene door er op te wijzen dat hij als straatcoach ook contacten heeft met jongeren met een strafblad, er geen blijk van gegeven een goed onderscheid te kunnen maken tussen deze functionele contacten en het onderhouden van privécontacten met R en aldus niet te beschikken over het voor het uitoefenen van zijn functie vereiste inzicht in de veiligheidsrisico’s die hieraan zijn verbonden. Dit maakt hem ook naar het oordeel van de rechtbank ongeschikt voor zijn functie.

3.1.

Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het subsidiair gegeven ontslag wegens het verlies van het aanstellingsvereiste, te weten de

BOA-bevoegdheid, geen stand houdt.

3.2.

Het incidenteel hoger beroep van betrokkene richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het meer subsidiair gegeven ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie standhoudt. Betrokkene meent wel over de juiste karaktereigenschappen en mentaliteit te beschikken om de functie van straatcoach uit te oefenen. Betrokkene voert voorts aan dat, nu uitsluitend het meer subsidiaire ontslag heeft standgehouden, appellant in de proceskosten had moeten worden veroordeeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 8:7, aanhef en onder a, van de CAR/UWO bepaalt dat ontslag aan de ambtenaar kan worden verleend op grond van verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie geldt.

4.2.

Het gebruikmaken van een ontslagbepaling als artikel 8:7, aanhef en onder a, van de CAR/UWO vergt de aanwezigheid van een duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar aanstellingsvereiste. In verband met de voorwaarde van een ‘door het bestuur gesteld aanstellingsvereiste’ zal ook de rol van het bestuur bij het stellen van de voorwaarde buiten twijfel moeten zijn (zie de uitspraak van 2 mei 2013 ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9439).

4.3.

Het betoog van appellant dat de BOA-bevoegdheid een aanstellingsbevoegdheid is, welke aan betrokkene uitdrukkelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar kenbaar is gemaakt bij zijn aanstelling, slaagt. Betrokkene heeft gesolliciteerd op de vacature van straatcoach. In de van de vacature deel uitmakende profielschets is vermeld dat een straatcoach dient te beschikken over een BOA-diploma of de bereidheid dit diploma te halen. Appellant heeft betrokkene eerst aangesteld in tijdelijke dienst en hem in de gelegenheid gesteld zijn BOA-diploma en

-bevoegdheid te behalen. Bij de in 2010 en 2011 gehouden functionerings- en beoordelingsgesprekken is dit vereiste steeds onderwerp van aandacht geweest en zijn hierover afspraken gemaakt. In de verslaglegging van het functioneringsgesprek 2011, het planningsformulier 2011 en de beoordeling 2011 is verder vastgelegd dat een voorwaarde voor het uitoefenen van de functie van straatcoach het bezit van een BOA-bevoegdheid is. Na het behalen van zijn BOA-diploma en het verkrijgen van zijn BOA-bevoegdheid, is betrokkene geplaatst in het team Algemene verordeningen, Parkeren en Veiligheid. Hij is vervolgens aangesteld in vaste dienst.

4.4.

Het verweer van betrokkene dat geen sprake was van een aanstellingsvereiste, omdat er bij de gemeente [gemeente] ook straatcoaches zonder BOA-bevoegdheid werkzaam waren, slaagt niet. Appellant heeft toegelicht, en door betrokkene is niet weersproken, dat destijds zes straatcoaches, waaronder betrokkene, een tijdelijk dienstverband hebben gekregen en in de gelegenheid zijn gesteld om de BOA-bevoegdheid te verkrijgen, waarna een vaste aanstelling zou volgen. Alleen de straatcoaches die de BOA-bevoegdheid hebben verkregen zijn aangesteld in vaste dienst. Degene die er niet in is geslaagd de BOA-bevoegdheid te verkrijgen is ook daadwerkelijk ontslag verleend. Appellant heeft daarmee op duidelijke wijze de eis gesteld van het beschikken over een BOA-bevoegdheid.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat appellant bevoegd was om betrokkene te ontslaan wegens het verlies van de BOA-bevoegdheid. Mede gelet op de grond waarop deze bevoegdheid door de staatssecretaris is ingetrokken, te weten het ontbreken van vertrouwen wegens het onderhouden van criminele contacten met R, heeft appellant in redelijkheid kunnen besluiten om betrokkene te ontslaan met toepassing van artikel 8:7, aanhef en onder a, van de CAR/UWO.

4.6.

Nu het bestreden besluit op de daarin subsidiair opgenomen grond standhoudt, behoeft de in het bestreden besluit meer subsidiair opgenomen ontslaggrond geen bespreking meer.

4.7.

Betrokkene heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat de rechtbank heeft verzuimd appellant te veroordelen in de proceskosten. Dit betoog slaagt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de primaire ontslaggrond van onvoorwaardelijk strafontslag geen stand hield. Zij had daarom het bestreden besluit deels moeten vernietigen en het besluit van 17 juni 2014 in zoverre moeten herroepen, met veroordeling van appellant in de kosten van betrokkene voor in bezwaar en beroep verleende rechtsbijstand.

4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep slagen. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van betrokkene gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor wat betreft het primair gegeven strafontslag, het besluit van 17 juni 2014 in zoverre herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.

5. Er is aanleiding appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 992,- in bezwaar, € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep, derhalve in totaal € 2.976,- wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2014 gegrond en vernietigt dat besluit
voor zover daarbij het primair gegeven strafontslag is gehandhaafd;

- herroept het besluit van 17 juni 2014 in zoverre;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van

22 oktober 2014;

- bepaalt dat appellant aan betrokkene het in beroep betaalde griffierecht van € 165,-

vergoedt;

- veroordeelt appellant tot vergoeding van de kosten van betrokkene tot een bedrag van
€ 2.976,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.T. Boerlage en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A. Mansourova

HD