Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
21-10-2016
Zaaknummer
16/175 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning van en overgang naar LFNP-functie. De rechtbank heeft het beroep op goede gronden gegrond verklaard. Het zwaartepunt van de korpsfunctie is niet gelegen bij administratieve taken, maar bij het houden van toezicht en controle. Betrokkene heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de match in strijd is met de Regeling of anderszins onhoudbaar is. De plaatsing van betrokkene in de door haar geambieerde functie heeft geen gevolgen voor het procesbelang dat appellant in dit geding heeft bij een juiste matching.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/175 AW, 16/2123 AW

Datum uitspraak: 20 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

1 december 2015, 14/1422 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 20 april 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Bot en F.J.H. Gunther. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dammingh.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

De uitgangspositie van betrokkene voor de omzetting naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) is vastgesteld op de functie van [naam functie 1] DCIV BV RPVV.

1.3.

Op 16 december 2013 heeft appellant ten aanzien van betrokkene besloten per peildatum 31 december 2011 tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van [naam functie 2] , [salarisschaal] . Het daartegen gerichte bezwaar is bij het bestreden besluit van 12 juni 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, omdat de transponeringstabel, opgenomen in een bijlage bij de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) geen algemeen verbindend voorschrift is. Dit gebrek heeft de rechtbank gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. De Regeling is echter onjuist toegepast, omdat het vakgebied [naam functie 2] niet kan worden aangemerkt als het meest vergelijkbare vakgebied. Anders dan appellant is de rechtbank namelijk van oordeel dat het zwaartepunt van de korpsfunctie niet is gelegen bij administratieve taken, maar bij het houden van toezicht en controle. Appellant heeft ter zitting ook niet betwist dat betrokkene haar taken grotendeels op straat uitvoert en niet op kantoor. Van de administratieve taken die in de functiebeschrijving staan beschreven kan niet worden uitgesloten dat die slechts ondersteunend zijn aan het houden van toezicht en controle.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep van appellant wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat betrokkene inmiddels is geplaatst in de door haar geambieerde functie in het vakgebied Gebiedsgebonden Politie (GGP) en appellant aan betrokkene heeft bevestigd dat deze plaatsing in stand blijft, ook in het geval het onderhavige hoger beroep slaagt. Anders dan betrokkene acht de Raad wel procesbelang aanwezig. De positie in de nieuwe organisatie heeft geen betrekking op de overgang naar een functie uit het LFNP en dient daarom geen rol te spelen bij de beoordeling of aannemelijk is gemaakt dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten (vergelijk de uitspraak van 19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4161). De plaatsing van betrokkene in de door haar geambieerde functie heeft daarom geen gevolgen voor het procesbelang dat appellant in dit geding heeft bij een juiste matching.

3.2.

Appellant heeft betoogd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat de match in strijd is met de Regeling of anderszins onhoudbaar is. Het vakgebied [naam functie 2] is volgens hem wel degelijk het meest vergelijkbaar.

3.3.1.

Blijkens het functievergelijkingsformulier is binnen het domein Uitvoering gekozen voor het vakgebied [naam functie 2] op grond van de volgende overwegingen:

“ [naam functie 2] draagt bij aan de handhaving van de rechtsorde (criminaliteitsbestrijding) en van de openbare orde, en aan veiligheid en leefbaarheid in de samenleving door de intake van burgerverzoeken te verrichten, inzetverzoeken van collega’s te behandelen en service te verlenen door politiële administratieve ondersteuning te verrichten. [naam functie 2] geeft met name uitvoering aan het proces Intake uit de tak Uitvoeren en aan de processen in de takken Voorbereiden en Verbeteren uit het RBP. Voor dit vakgebied is gekozen, omdat de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden uit de korpsfunctie hiermee het meest vergelijkbaar zijn. Gelet op de wervingsnaam van administratief [naam functie 1] - zoals hierboven genoemd - is in casu niet het vakgebied GGP het meest vergelijkbaar geacht, maar onderhavig vakgebied.”

3.3.2.

Blijkens de korpsfunctiebeschrijving bestaat de functie van betrokkene van Medewerker 5 BOA uit de hoofdbestanddelen Toezicht/controle, Opsporingsactiviteiten, Administratie en Overige taken. De taken die onder Toezicht/controle en Opsporingsactiviteiten vallen zijn daarbij als eerste beschreven en beslaan ten minste de helft van de taken. Met de rechtbank en anders dan appellant is de Raad van oordeel dat uit de bewoordingen en de opbouw van de functiebeschrijving juist volgt dat - ook indien appellant wordt gevolgd in zijn stelling dat de opsporingsactiviteiten samen moeten worden bezien met het hoofdbestanddeel Toezicht/controle - het zwaartepunt van de korpsfunctie niet is gelegen bij administratieve taken, maar bij het houden van toezicht en controle, terwijl niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de administratieve taken in de korpsfunctiebeschrijving slechts ondersteunend zijn aan het houden van toezicht en controle. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat betrokkene onweersproken heeft gesteld dat zij haar taken grotendeels op straat uitvoert en niet op kantoor. Die stelling vindt immers steun in de korpsfunctiebeschrijving en ziet niet op van de korpsfunctiebeschrijving afwijkende werkzaamheden.

3.3.3.

Appellant heeft gewezen op het onder 3.3.1 genoemde functievergelijkingsformulier. Volgens appellant is daaruit af te leiden dat de werkgroep matching zich bewust is geweest van het feit dat bepaalde werkzaamheden zowel in het vakgebied [naam functie 2] als in het vakgebied GGP voorkomen. De keuze voor het vakgebied Intake en Service is hierin gemotiveerd en is niet onhoudbaar, aldus appellant. De Raad hecht aan het functievergelijkingsformulier in dit geval niet de betekenis die appellant daaraan gehecht wenst te zien, omdat uit de motivering alleen blijkt dat de wervingsnaam van administratief [naam functie 1] ertoe heeft geleid dat in dit geval niet het vakgebied GGP het meest vergelijkbaar is geacht, maar het vakgebied [naam functie 2] . Uit de Handleiding uitvoering matching LFNP 2013 (Handleiding), p. 20, blijkt dat de functiebenaming als zodanig nooit van (doorslaggevende) betekenis kan zijn voor indeling in een bepaald domein of vakgebied. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom de wervingsnaam van de functie in het geval van betrokkene wel van (doorslaggevende) betekenis zou kunnen zijn voor de indeling in het vakgebied [naam functie 2] , zeker nu uit de korpsfunctiebeschrijving volgt dat het zwaartepunt is gelegen bij toezicht, controle en opsporingsactiviteiten. Uitgangspunt bij de matching dient ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Regeling, in verbinding met artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling immers de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving te zijn zoals vastgelegd in de uitgangspositie.

3.3.4.

Appellant heeft ter zitting nog betoogd dat betrokkene als BOA bevoegdheden mist om de werkzaamheden in het vakgebied GGP in volle omvang uit te oefenen. Daartoe dient betrokkene een opleiding te volgen. Een medewerker kan in het kader van de reorganisatie wel geplaatst worden in een functie in het vakgebied GGP, maar uitsluitend onder de voorwaarde dat de betrokken medewerker de daartoe vereiste opleiding volgt. Ook om die reden is het vakgebied [naam functie 2] als meest vergelijkbaar aan te merken, aldus appellant. Dit betoog slaagt niet, reeds omdat de LFNP-functiebeschrijvingen van [naam functie 2] en van de door betrokkene geambieerde functie Assistent GGP B op het punt van basis(vak)kennis identiek zijn. Tegen deze achtergrond kan niet worden staande gehouden dat het gegeven dat in de korpsfunctiebeschrijving slechts de functie-eis van een opleiding tot BOA wordt gesteld van doorslaggevende betekenis dient te zijn voor indeling in het vakgebied [naam functie 2] . Bovendien biedt de Handleiding geen grond voor het toekennen van (doorslaggevende) betekenis aan een nader gesteld opleidingsvereiste.

3.4.

Uit 3.3.1 tot en met 3.3.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak door appellant genomen besluit van 20 april 2016 behoeft geen bespreking meer, omdat het geheel aan het bezwaar van betrokkene tegemoet komt.

3.5.

Nu het hoger beroep niet slaagt, vervalt het door betrokkene voorwaardelijk ingestelde incidenteel hoger beroep, zodat aan een inhoudelijke bespreking daarvan niet wordt toegekomen.

4. In het voorgaande ziet de Raad aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 992,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 992,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven ten bedrage van € 503,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A. Mansourova

HD