Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3966

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
14/6778 WAZO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Niet verplicht verzekerd voor de ZW en de WAZO. Terugvordering. Gefingeerd dienstverband, dat alleen op papier heeft bestaan. Geen twijfel over de onderzoeksresultaten van het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/6778 WAZO

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
17 november 2014, 13/1729 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Nieuwburg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft over verschillende perioden uitkering ontvangen op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) en op grond van de Ziektewet (ZW). Na een onderzoek waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude van 25 februari 2013 heeft het Uwv besloten tot terugvordering van de uitkeringen.

1.2.

Bij een tweetal besluiten van 7 maart 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per
1 november 2009 en per 8 mei 2011 geen recht heeft op WAZO-uitkering en dat appellante per 31 oktober 2011 geen recht heeft op ziekengeld. Bij besluit van 26 maart 2013 heeft het Uwv appellante bericht dat haar € 9.959,64 en € 15.550,08 bruto onverschuldigd
WAZO-uitkering is betaald en dat appellante deze bedragen dient terug te betalen. Bij een afzonderlijk besluit van 26 maart 2013 heeft het Uwv appellante bericht dat aan appellante
€ 22.811,08 bruto onverschuldigd aan ziekengeld is betaald en dat zij dit bedrag dient terug te betalen. Appellante heeft tegen al deze besluiten bezwaar gemaakt. Het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 29 augustus 2013 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aannemelijk is geworden dat appellante feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht voor [naam bedrijf] , gevestigd te Polen (hierna: [naam bedrijf] ). Volgens het frauderapport is het niet aannemelijk dat iemand tot tweemaal toe hoogzwanger wordt aangenomen bij een bedrijf en binnen een week na indiensttreding een WAZO-uitkering ontvangt. Het is voorts niet aannemelijk dat een werknemer wordt aangenomen door een werkgever zonder dat deze de werknemer heeft gezien en gesproken. [naam A] , de ex-schoonvader van appellante, is feitelijk de baas van het bedrijf. De verklaring van [naam A] volgt de rechtbank niet omdat hij bestuurder was van het bedrijf en er sprake is van een familierelatie met appellante. Omdat appellante in de van belang zijnde periode feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht behoorde zij te weten dat de uitkeringen ten onrechte werden verstrekt en diende zij rekening te houden met de mogelijkheid van intrekking.

3.1.

Appellante is van mening dat het Uwv onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is geweest van een dienstbetrekking. Er zijn arbeidscontracten, loonspecificaties en gegevens uit Suwinet waaruit blijkt dat premies zijn afgedragen. Het onderzoek van het Uwv is onzorgvuldig en onvolledig geweest. Omdat appellante heeft verklaard dat zij onder gezag van [naam B] heeft gewerkt en nu [naam A] bestuurder is geweest van de onderneming, zijn deze personen door het Uwv ten onrechte niet gehoord. De uitkering is niet het gevolg van het verstrekken van onjuiste informatie en de intrekking is dan ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In dit verband acht appellante het van belang dat het Uwv in eerste instantie uitkering heeft geweigerd op de grond dat appellante niet verzekerd was en daarop is teruggekomen. Hiermee is min of meer uitdrukkelijk bevestigd dat zij is verzekerd. Appellante betwist dat het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij ten onrechte uitkering heeft ontvangen.

3.2.

Het Uwv is van mening dat het om een gefingeerd dienstverband gaat. Het dienstverband heeft alleen op papier bestaan. [naam bedrijf] bestaat voor de loonbelasting maar is niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en niet bekend voor de omzet- en vennootschapsbelasting. Van belang is volgens het Uwv dat appellante tijdens het fraudeonderzoek heeft verklaard dat zij niet weet wie haar baas is, wie haar heeft aangenomen, dat zij niet weet wat de functie van haar man is bij [naam bedrijf] en dat zij geen collega’s kent. Het onderzoek is zorgvuldig ook al zijn [naam A] en [naam B] niet gehoord. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of ten tijde van belang sprake is geweest van voor de ZW en de WAZO verzekerde werkzaamheden.

4.2.

Voor de door partijen niet betwiste feiten en het juridisch kader in deze zaak wordt verwezen naar overwegingen 4, 5 en 6 van de aangevallen uitspraak (ECLI:NL:RBNHO:2014:10696). Wat in hoger beroep wordt aangevoerd is grotendeels een herhaling van wat in eerste aanleg is aangevoerd. De rechtbank heeft de gronden volledig besproken en weerlegd. Hierna wordt dan ook volstaan met het volgende.

4.3.

Het fraudeonderzoek heeft onder meer bestaan uit onderzoek bij de Belastingdienst, bestanden van het Uwv, de Kamer van Koophandel en bij een accountantskantoor. Tevens zijn diverse documenten zoals brieven, loonstroken en rekeningafschriften bestudeerd en is appellante gehoord. Met de resultaten van dit fraudeonderzoek heeft het Uwv voldoende feiten aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd en is overtuigend aannemelijk geworden dat appellante nooit werkzaamheden heeft verricht voor [naam bedrijf] . Dat [naam B] en [naam A] niet zijn gehoord, betekent in dit geval dan ook niet dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Overigens heeft appellante in bezwaar, bij de rechter in eerste aanleg noch in hoger beroep een verzoek ingediend om getuigen te horen. De gemachtigde heeft ter zitting gezegd dat daar geen bijzondere gedachte achter zit.

4.4.

Appellante heeft verklaard dat zij e-mails heeft beoordeeld van sollicitanten maar de naam van de provider kon zij niet geven, zodat dit niet was na te gaan tijdens het fraudeonderzoek. Appellante heeft ook verklaard dat zij aan websites heeft gewerkt. Ook hierover is geen andere informatie dan van appellante zelf en van [naam A] . De verklaringen van appellante over haar werkzaamheden kunnen dus niet worden geverifieerd. Voorts is appellante niet eenduidig en betrouwbaar gebleken in haar verklaringen. Zo heeft zij tijdens het fraudeonderzoek tegenover de inspecteur op 14 februari 2013 verklaard niet te weten wie de baas is bij [naam bedrijf] en dat niemand van [naam bedrijf] heeft gezien dat zij zwanger is. Dit is echter onaannemelijk. Uit het onderzoek is namelijk gebleken dat [naam A] feitelijk de de leiding had van [naam bedrijf] en de ex-schoonvader is van appellante. Appellante heeft hem ter zitting van de Raad de stiefvader van haar echtgenoot genoemd. Aangezien de moeder van de echtgenoot van appellante inmiddels was gescheiden, werd hij ex-schoonvader genoemd. Bij de hoorzitting bij het Uwv heeft appellante verklaard door hem te zijn aangenomen terwijl appellante tijdens het fraudeonderzoek heeft verklaard dat er alleen per post en e-mail contact is geweest met de baas. Gezien het voorgaande is er geen twijfel gerezen over de onderzoeksresultaten van het Uwv.

4.5.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat appellante in de van belang zijnde periode feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht zodat zij behoorde te weten dat de uitkeringen ten onrechte werden vertrekt en zij met de intrekking daarvan rekening diende te houden. Appellante heeft die informatie immers verzwegen voor het Uwv. Aan de eerdere besluiten van het Uwv van 24 november 2011 en van 20 januari 2012, waarbij een aanvraag om ziekengeld is afgewezen omdat appellante niet verzekerd zou zijn onderscheidenlijk alsnog ziekengeld is toegekend, mocht appellante dan ook niet het vertrouwen ontlenen dat zij verplicht verzekerd is geweest voor de ZW en de WAZO.

4.6.

Het hoger beroep slaagt gezien het voorgaande niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en F.M.S. Requisizione en
C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) I.G.A.H. Toma

SS