Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3962

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
15/591 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering: niet meer ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1041

Uitspraak

15/591 ZW

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

12 december 2014, 14/2391 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.C.M. van den Hoek, hoger beroep ingesteld. Naderhand heeft appellant nog enkele stukken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een reactie op de nader ingediende stukken van appellant gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Hoek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk voltijds werkzaam geweest als controller/boekhouder. Vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving, heeft zich per 13 juni 2012 ziek gemeld met psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Vervolgens heeft appellant enkele keren het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Op 23 april 2014 heeft wederom een medisch onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts. De bevindingen van dit onderzoek hebben geresulteerd in een hersteldverklaring voor het eigen werk per 28 april 2014. Bij besluit van 24 april 2014 is de ZW-uitkering van appellant met ingang van 28 april 2014 beëindigd, omdat appellant niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt is voor het verrichten van zijn eigen arbeid. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 april 2014 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beoordeling van de primaire verzekeringsarts bevestigd. Bij besluit van 11 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding in de zin van wettelijke rente afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de door appellant in beroep ingebrachte informatie van de zenuwarts dr. J.J.M. van Hoof van 4 juli 2014, waaruit naar voren komt dat bij appellant sprake is van een impulscontrolestoornis NAO en een persoonlijkheidsstoornis NAO, geen aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid van de aannames van de verzekeringsartsen. Volgens de rechtbank moet aan het Uwv worden toegegeven dat de problemen die appellant in zijn functioneren ondervindt – woedeaanvallen en problemen in de omgang met anderen – eerder het gevolg zijn van bepaalde persoonskenmerken of eigenschappen van appellant, dan van een ziekte. Hierdoor is dan geen sprake van een ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als bedoeld in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW.

3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij ten onrechte geschikt wordt geacht om zijn eigen werkzaamheden van controller/boekhouder te verrichten. Volgens appellant zijn zijn beperkingen onderschat. Ter onderbouwing van zijn standpunt wat betreft zijn belastbaarheid heeft appellant een rapport van psychiater G.W. de Graaff van 15 mei 2015 en een reactie op dat rapport van de medisch adviseur J.M. van der Toorn van 2 juni 2016 overgelegd.

4. In het verweerschrift heeft het Uwv bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Bij rapport van 8 september 2015 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep een reactie gegeven op de rapporten van De Graaff en Van der Toorn.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. In artikel 19, vijfde lid, van de ZW is, voor zover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2109) wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In het geval van appellant is dat – zoals onder meer blijkt uit zijn opgave in het formulier van de aanvraag van een uitkering ingevolge de Wet werk inkomen naar arbeidsvermogen – de functie van controller die hij heeft verricht van 1 februari 2011 tot en met 28 februari 2011. Gelet op het rapport van de verzekeringsarts van 24 april 2014 en in navolging daarvan het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 juni 2014, zijn beide verzekeringsartsen dus van de juiste maatstaf arbeid uitgegaan.

5.2.

De verzekeringsarts heeft appellant op het spreekuur onderzocht en zijn bevindingen neergelegd in het rapport van 24 april 2014. Daarin is vermeld dat appellant initieel is uitgevallen wegens psychische problemen die werden geduid als een aanpassingsstoornis met een agressie-regulatiestoornis, later gevolgd door een depressie. Volgens de verzekeringsarts zijn er op het moment van beoordeling geen aanwijzingen meer voor het bestaan van een depressie dan wel een aanpassingsstoornis. Het is aannemelijk dat appellant bij het verrichten van arbeid tegen problemen aanloopt, maar deze komen voort uit specifieke persoonskenmerken en niet uit ziekte of gebrek, aldus de verzekeringsarts. Appellant heeft problemen in de communicatie en moeite om oplopende spanningen goed te hanteren. Onder specifieke omstandigheden kunnen deze oplopende spanningen leiden tot een
woede-uitbarsting. De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat bij appellant geen sprake meer is van ziekte of gebrek en appellant wordt in staat geacht om zijn eigen werk volledig uit te voeren. Daarbij is volgens de verzekeringsarts van belang dat appellant bij het zoeken naar arbeid rekening houdt met zijn specifieke persoonskenmerken.

5.3.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd. Appellant heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van een hoorzitting, zodat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant zelf niet heeft kunnen onderzoeken. Ook heeft appellant geen (nieuwe) medische gegevens van behandelend artsen ingebracht. In het rapport van 6 juni 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld geen aanleiding te zien om het onderzoek van de primaire verzekeringsarts voor onzorgvuldig te houden. De primaire verzekeringsarts heeft conform de standaard “Onderzoeksmethoden” het dossier van appellant bestudeerd, een spreekuurcontact gehouden waarbij een op de stoornissen gericht medisch onderzoek werd verricht (psyche, schouder en knie). Bovendien heeft de primaire verzekeringsarts de door appellant verstrekte informatie kenbaar in de beoordeling meegewogen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevat het rapport van 24 april 2014 geen innerlijke tegenspraak en heeft hij – gelet op het feit dat er geen nieuwe medische informatie is ingebracht noch uit het dossieronderzoek nieuwe inzichten naar voren zijn gekomen – geen aanleiding gezien om de door de primaire verzekeringsarts aangegeven stoornissen en klachtencomplexen voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de conclusie getrokken dat in de bezwaarprocedure geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen die het primaire oordeel doen wijzigen.

5.4.

De nadien in de beroepsfase door appellant overgelegde informatie van de zenuwarts
dr. J.J.M. van Hoof van 4 juli 2014 en 27 augustus 2014, het intakeverslag en behandelplan van M. van Tiel van juni 2014 alsmede de brief van Pro Persona van 9 oktober 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gegeven om het eerdere ingenomen standpunt te wijzigen. In de rapporten van 4 september 2014 en 17 oktober 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat de uit de ingebrachte medische gegevens geen nieuwe medische feiten blijken. Allereerst is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep de DSM-IV classificatie geen nieuw medisch feit, omdat de daarmee samenhangende problematiek eerder op gelijkluidende wijze werd beschreven. De impulscontrolestoornis (woedeaanvallen) en de hoogbegaafdheid werden reeds onderkend en in bezwaar meegewogen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep werd de ontremming door alcohol al in 2012 vermeld en levert een classificatie of een diagnose geen nieuw medisch feit op wanneer de klachten als zodanig al uitgebreid zijn beschreven.

5.5.

De medische informatie die appellant in hoger beroep heeft ingebracht en wat hij verder heeft aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist moet worden gehouden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de informatie van psychiater De Graaff van
15 mei 2015 ten opzichte van de bevindingen van de zenuwarts Van Hoof van 4 juli 2014 en 27 augustus 2014 in essentie geen nieuwe gezichtspunten bevat. Blijkens het rapport van
8 september 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een herbeoordeling verricht en daarbij als uitgangspunt genomen de door De Graaff gestelde diagnose Persoonlijkheidsstoornis Niet anders omschreven (NAO) met trekken uit het B-cluster. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt uit het rapport van De Graaff en uit het dossier dat voortdurende tegenslag, het ervaren van stressvolle situaties, alcoholgebruik, ervaren onrecht en relaties waarin geen gelijkwaardigheid is dan wel waarin appellant onder druk wordt gezet, arbeidsbeperkingen voor hem opleveren. Er is een kans op impulsdoorbraak met daardoor een risico op arbeidsuitval (verhoogd afbreukrisico) en relationele recidive. Afgezet tegen de functiebelasting van de maatstaf arbeid van controller/boekhouder is de verzekeringsarts bezwaar en beroep andermaal tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt geacht moet worden voor zijn arbeid. Deze concludeert dat de kans op impulsdoorbraak in welk werk ook aanwezig is en niet specifiek gebonden is aan het verrichten van de maatgevende arbeid. Verder is geen sprake van intensief samenwerken en zijn relationele aspecten geen functie-eis. Er wordt door de artsen het Uwv geen belemmering gezien de maatgevende arbeid te verrichten. Er is geen reden aan deze conclusie te twijfelen

5.6.

Hieraan wordt toegevoegd dat uit de stukken naar voren komt dat de stoornis reeds sinds de vroege adolescentie bij appellant aanwezig is en dus ook al bestond voorafgaande aan de datum hier in geding van 28 april 2014. Appellant is in staat gebleken om gedurende bijna tien jaar te functioneren in – zoals hij ter zitting heeft aangegeven – vergelijkbare functies. Wat betreft de opvatting van De Graaff dat appellant zijn functie van controller/boekhouder niet kan verrichten, wordt overwogen dat deze opvatting niet overtuigt. Immers De Graaff heeft voor die opvatting geen medische onderbouwing gegeven. Hij heeft slechts volstaan met de opmerking dat appellant nog geen gerichte behandeling voor zijn klachten heeft gekregen en nog te weinig handvatten heeft om te kunnen omgaan met zijn impulsiviteit, het lage zelfvertrouwen en zelfbeeld en zijn angsten.

6. Uit 5.1 tot en met 5.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding in de zin van wettelijke rente moet worden afgewezen.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en F.M.S. Requisizione en
C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) I.G.A.H. Toma

SS