Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
15/4938 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering: niet meer ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1042

Uitspraak

15/4938 ZW

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
1 juni 2015, 14/3724 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2016. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 12 november 2012 via een uitzendbureau werkzaam als schoonmaker voor 38 uur per week, toen hij zich op 1 mei 2013 voor dit werk ziek meldde met lichamelijke- en psychische klachten. Zijn dienstverband is op 12 mei 2013 beëindigd.

1.2.

Appellant heeft twee maal het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Na het spreekuur op 20 maart 2014 heeft deze arts appellant per 25 maart 2014 geschikt geacht voor zijn laatst verrichte arbeid in de functie van schoonmaker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 20 maart 2014 vastgesteld dat appellant per 25 maart 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van
15 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 mei 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij door zijn klachten niet in staat is zijn werk te verrichten. Ten onrechte wordt gesteld dat zijn diabetes onder controle is en dat hij alleen last zou hebben van nachtelijk transpireren, terwijl het transpireren ook overdag voorkomt. Ook is geen rekening gehouden met het feit dat hij bij zijn werkgever zelf zijn uren mocht bepalen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW, is – voor zover hier van belang – bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep zonder nadere medische onderbouwing naar voren heeft gebracht vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven.

4.3.

Er bestaat geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig of onvolledig te achten. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben appellant gezien en onderzocht. Zij hebben vastgesteld dat appellant veel lichamelijke en psychische klachten ervaart, maar dat er bij diverse onderzoeken, behoudens het transpireren en dat bij appellant sprake is van diabetes mellitus II, geen afwijkingen zijn geconstateerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door appellant ingebrachte informatie van internist-oncoloog H.P. van den Berg van 2 december 2014 – voor zover relevant voor de datum in geding – beoordeeld en in zijn rapport van 24 maart 2015 onderbouwd waarom de informatie hem geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Voor twijfel aan de juistheid van deze reactie is geen aanleiding. Het overmatig transpireren was bekend bij de artsen van het Uwv. Uit de informatie van de internist-oncoloog blijkt dat appellant deze klacht al ruim 12 jaar heeft en er vooralsnog geen verklaring voor is gevonden.

4.4.

Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op de datum in geding, te weten 25 maart 2014, zijn klachten dusdanig ernstig waren dat deze tot het aannemen van arbeidsbeperkingen hadden moeten leiden die eraan in de weg staan dat hij zijn laatstelijk verrichtte werk zou kunnen doen. De bevindingen van de verzekeringsartsen en de in beroep overgelegde medische informatie bieden daarvoor geen grond.

4.5.

Voor het betoog van appellant dat hij bij zijn werkgever zelf zijn uren mocht bepalen, verwijst de Raad naar het in beroep overgelegde rapport van 3 oktober 2014 waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gereageerd op de regelmogelijkheden die appellant in de maatgevende arbeid had.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter, in tegenwoordigheid van
G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) G.J. van Gendt

SS