Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3909

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
15/2524 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:1364, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzen aanvraag. Onvoldoende informatie verstrekt over kasstortingen en werkzaamheden in bakkerij. Recht op bijstand niet vast te stellen. Nieuwe aanvraag na eerdere afwijzing. Geen gewijzigde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2524 WWB, 15/2525 WWB

Datum uitspraak: 18 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

3 maart 2015, 14/3868 en 14/5836 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Iwema, als opvolgend raadsman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Avedissian.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben op 28 juni 2013 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. In het kader van de aanvraag hebben appellanten opgegeven dat zij na het beëindigen van de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet van appellant eind juni 2013 geen inkomen hebben. Het college heeft aan appellanten voorschotten toegekend tot een totaalbedrag van € 4.764,-.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag hebben twee klantmanagers (klantmanagers) van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van appellanten. In dat kader hebben de klantmanagers onder meer Suwinet geraadpleegd, waaruit bleek dat appellanten beiden vanaf 21 september 2011 een openstaand dienstverband hebben bij het bedrijf van hun zoon, bakkerij [N.] (bakkerij). Tijdens een arbeidsmotivatiegesprek op 28 juni 2013 heeft appellant verklaard dat appellanten als oproepkracht voor hun zoon hebben gewerkt, maar dat de contracten al langere tijd zouden zijn ontbonden. Bij brief van 24 juli 2013 hebben de klantmanagers appellanten in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te overleggen, waaronder een verklaring over de herkomst van de op de overgelegde bankafschriften aangetroffen kasstortingen, van bedragen van € 70,-, € 400,- en € 200,- in april 2013, van € 420,- en € 500,- in mei 2013 en van € 100,- in juni 2013. Appellanten hebben vervolgens onder meer een arbeidsovereenkomst oproepkracht van de bakkerij van appellant met ingang van 1 juli 2013 overgelegd.

1.3.

Bij brief van 26 september 2013 hebben de klantmanagers appellanten nogmaals in de gelegenheid gesteld nader genoemde gegevens te overleggen, waaronder een verklaring over de herkomst van de contante stortingen en een overzicht van de gewerkte dagen. Appellanten hebben vervolgens de gevraagde bankafschriften over de periode van 2 januari 2013 tot en met 23 september 2013 overgelegd. Op deze bankafschriften zijn vanaf januari 2013 meerdere kasstortingen te zien. Appellanten hebben over de kasstortingen verklaard dat deze bedragen zijn geleend van hun zoon. Appellanten hebben tevens salarisspecificaties van appellant over de maanden juli tot en met september 2013 overgelegd. Op deze salarisspecificaties is vermeld dat appellant die betreffende maanden niet heeft gewerkt. Van appellante zijn geen salarisspecificaties overgelegd. Uit een door de klantmanagers gedane waarneming bij de bakkerij is gebleken dat appellante op 28 september 2013 in de bakkerij een croissantje en een drankje heeft verkocht. Tijdens het gesprek op 14 november 2013 met de klantmanagers heeft appellant verklaard dat hij niet heeft gewerkt en dat hij ook geen overzicht van gewerkte uren bij zich heeft. Appellante heeft verklaard dat zij weleens in de bakkerij is om haar zoon te helpen of eten te brengen, ook let zij weleens even voor hem op de winkel. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 januari 2014.

1.4.

Bij besluit van 3 januari 2014 heeft het college de aanvraag van appellanten afgewezen, op de grond dat de herkomst van de contante stortingen onduidelijk is gebleven. Daarnaast is geconstateerd dat appellanten op geld waardeerbare activiteiten in de bakkerij hebben verricht, waar zij beiden op de loonlijst staan, maar geen opgave van inkomsten hebben gedaan. Hierdoor is niet duidelijk of appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. Bij besluit van

6 januari 2014 heeft het college de aan appellanten verstrekte voorschotten van in totaal

€ 4.764,- teruggevorderd.

1.5.

Appellanten hebben zich op 14 januari 2014 wederom gemeld om bijstand aan te vragen.

1.6.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een klantmanager appellanten bij brief van

5 februari 2014 gevraagd welke omstandigheden na het besluit van 3 januari 2014 zijn gewijzigd. Tevens zijn appellanten in de gelegenheid gesteld de herkomst van de contante stortingen aan te tonen en opgave te doen van de inkomsten van appellanten uit de werkzaamheden in de bakkerij, omdat zij beiden op de loonlijst staan. Appellanten hebben vervolgens onder meer een lening-verklaring van 10 januari 2014 van de zoon van appellanten, een tweetal ontvangstbewijzen van Western Union en afschriften van hun bankrekeningen over de periode vanaf 17 september 2013 tot en met 20 januari 2014 overgelegd. Tevens hebben appellanten salarisspecificaties op naam van appellant overgelegd. Op deze salarisspecificaties staat vermeld dat appellant in november en december 2013 nul uren en in januari 2014 zes uren heeft gewerkt.

1.7.

Bij besluit van 13 maart 2014 heeft het college de aanvraag van appellanten met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen op de grond dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd.

1.8.

Bij besluit van 30 april 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 3 en 6 januari 2014 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat de verklaringen van appellanten over de arbeidscontracten en de overgelegde stukken niet eenduidig zijn. Voorts hebben appellanten de herkomst van de contante stortingen op de bankrekening van appellanten onvoldoende aangetoond. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren.

1.9.

Bij besluit van 11 juli 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2014, onder wijziging van de grondslag omdat de aanvraag ten onrechte op grond van artikel 4:6 van de Awb is afgewezen, ongegrond verklaard. Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat de onduidelijkheden ten aanzien van de stortingen in 2013 en de werkzaamheden van appellanten in de bakkerij nog niet zijn opgeheven. Appellant heeft tijdens de hoorzitting verklaard al lange tijd niet meer in de bakkerij te komen, maar heeft wel loonstroken over de maanden januari, februari en maart 2014 overgelegd. Het door appellant in bezwaar gestelde aantal van 46 uren dat hij in maart 2014 zou hebben gewerkt, komt niet overeen met de salarisstrook van die maand, waarop staat vermeld dat hij 20 uren heeft gewerkt. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren.

1.10.

Naar aanleiding van een daartoe ingediende aanvraag om bijstand heeft het college aan appellanten met ingang van 30 september 2014 bijstand toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Periode van 28 juni 2013 tot en met 3 januari 2014

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 28 juni 2013, de datum waarop appellanten zich hebben gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 3 januari 2014, de datum van het afwijzingsbesluit.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2846) rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij aanvragen om bijstand in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven.

4.3.

De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.

4.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij voldoende informatie hebben verstrekt over hun betrokkenheid bij de bakkerij van hun zoon. Appellant heeft salarisspecificaties overgelegd van gewerkte uren vanaf de aanvraag. Appellante heeft vanaf de aanvraag niet gewerkt. Indien er twijfel was over de gewerkte uren lag het op de weg van het college om nader onderzoek te doen.

4.5.

Anders dan appellanten stellen hebben zij onvoldoende informatie verstrekt. Niet in geschil is immers dat appellanten tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over hun aanwezigheid in en de door hen verrichte werkzaamheden voor de bakkerij. Appellanten hebben op het aanvraagformulier verklaard dat zij geen inkomen hadden en hebben geen melding gemaakt van de openstaande dienstverbanden bij de bakkerij. Uit Suwinet blijkt dat deze dienstverbanden op 21 september 2011 zijn ingegaan. Op de door appellant overgelegde oproepovereenkomst bij de bakkerij staat als ingangsdatum 1 juli 2013 vermeld. Van het openstaande dienstverband van appellante hebben appellanten geen stukken overgelegd. Wel hebben appellanten een verklaring beëindiging dienstverband van 1 september 2013 overgelegd, waarin is vermeld dat het dienstverband met appellante op 21 september 2013 is beëindigd. Tijdens het arbeidsmotivatiegesprek op 28 juni 2013 hebben appellanten echter verklaard dat zij beiden als oproepkracht voor hun zoon hebben gewerkt, maar dat de contracten op dat moment al langere tijd zouden zijn ontbonden. Verder heeft appellant op

14 november 2013 verklaard niet te hebben gewerkt, terwijl op de door hem in bezwaar overgelegde salarisspecificatie van oktober 2013 staat vermeld dat appellant die maand

20 uren heeft gewerkt. Van appellante zijn in het geheel geen salarisspecificaties overgelegd, terwijl uit de waarneming op 28 september 2013 blijkt dat zij die dag werkend is aangetroffen. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat appellanten over de werkzaamheden in de bakkerij onvoldoende duidelijkheid hebben gegeven.

4.6.

Voorts blijkt uit de overgelegde bankafschriften dat in de periode voorafgaand aan de aanvraag sprake is van een groot aantal kasstortingen, onder meer op 25 januari 2013 een bedrag van € 570,-, op 3 april 2013 een bedrag van € 400,- en op 28 mei 2013 een bedrag van € 500,-. De stelling van appellanten dat deze stortingen afkomstig zijn van een lening van de zoon van appellanten, hebben zij niet aannemelijk gemaakt. De door appellanten overgelegde lening-verklaring van de zoon van appellanten van 10 januari 2014 is daartoe ontoereikend. Nog daargelaten dat deze verklaring achteraf is opgesteld, staat in deze verklaring enkel een totaalbedrag van € 5.000,- vermeld, welk bedrag appellante in 2012 en 2013 heeft ontvangen van de zoon van appellanten. Hiermee hebben appellanten geen concreet en verifieerbaar bewijs overgelegd waaruit blijkt dat de zoon daadwerkelijk geld aan appellante heeft verstrekt. Ook uit de kasstortingen zelf is dat op geen enkele manier af te leiden. Dit geldt ook ten aanzien van de overgelegde ontvangstbewijzen van Western Union. De herkomst van de diverse stortingen is daarmee onduidelijk gebleven. Daarbij komt dat, anders dan appellanten stellen, ook na de aanvraag van 28 juni 2013 nog sprake is van stortingen op de bankrekeningen van appellanten, onder meer op 1 juli 2013 een bedrag van € 50,-, op

7 oktober 2013 een bedrag van € 120,- en op 18 oktober 2013 een bedrag van € 350,-, waarvan de herkomst onduidelijk is gebleven. Dit klemt te meer nu appellanten naar aanleiding van de aanvraag om bijstand voorschotten van het college hebben ontvangen.

4.7.

Gelet op 4.5 en 4.6 moet worden geconcludeerd dat appellanten onvoldoende informatie hebben verstrekt over hun financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag en gedurende de hier te beoordelen periode. Hiermee hebben appellanten niet voldaan aan de op hun rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan is niet vast te stellen of, en zo ja in welke mate, appellanten verkeerden in bijstandbehoevende omstandigheden. Het college heeft de aanvraag van appellanten om bijstand dan ook terecht afgewezen. Tegen de terugvordering van de verleende voorschotten hebben appellanten geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

Periode van 14 januari 2014 tot en met 13 maart 2014

4.8.

De hier te beoordelen periode loopt van 14 januari 2014 tot en met 13 maart 2014.

4.9.

De beroepsgrond van appellanten dat de rechtbank ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan de wijziging van de grondslag van de afwijzing, treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6898) staat artikel 7:11 van de Awb niet in de weg aan handhaving in bezwaar van een primair besluit op een andere grond dan die waarop dat primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging.

4.10.

Indien een eerdere aanvraag om periodieke bijstand is afgewezen en de betrokkene een nieuwe aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.11.

Appellanten hebben gewezen op een rapport van 14 augustus 2014 van een medewerker van de gemeente Rotterdam betreffende een latere aanvraag om bijstand van appellanten van 7 augustus 2014, waarin staat vermeld dat het college voornemens was een aanvraag van

14 april 2014 toe te kennen, maar dat laatstgenoemde aanvraag alsnog is afgewezen. Aangezien dit rapport betrekking heeft op aanvragen om bijstand van een latere datum, maakt deze opmerking in het rapport, anders dan appellanten hebben betoogd, niet dat de besluitvorming ten aanzien van de hier te beoordelen periode onzorgvuldig zou zijn.

4.12.

Appellanten hebben, samengevat, aangevoerd dat onduidelijk is welke bewijsstukken het college op het oog heeft wat betreft de bakkerij en hoe moest worden aangetoond dat er afgezien van de opgegeven perioden niet meer voor de bakkerij is gewerkt, anders dan met de reeds aangeleverde bewijzen, waaronder arbeidsovereenkomsten en salarisspecificaties met gewerkte uren. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.13.

Vaststaat dat appellant over maart 2014 met betrekking tot het aantal gewerkte uren tegenstrijdig heeft verklaard. Appellant heeft verklaard dat hij in maart 2014 46 uren heeft gewerkt, terwijl op de salarisspecificatie van die maand staat vermeld dat hij 20 uren heeft gewerkt. Verder volgt uit 4.6 dat ook in de hier te beoordelen periode sprake is van stortingen op de bankrekeningen van appellanten, waarvan de herkomst onduidelijk is gebleven. Bovendien blijkt uit bankafschriften, die in het kader van een nieuwe aanvraag zijn overgelegd, dat in de maand februari 2014 sprake is van een kasstorting van een bedrag van

€ 1.150,-. Appellanten hebben evenwel geen objectieve, verifieerbare gegevens van de herkomst van deze stortingen overgelegd. Deze omstandigheden bieden, in het licht van het hier toe te passen toetsingskader, reeds voldoende grondslag voor de conclusie dat appellanten niet hebben aangetoond dat sprake was van een wijziging van omstandigheden in die zin dat zij in de te beoordelen periode wel voldoende inzicht in hun financiële situatie hebben gegeven.

4.14.

Uit 4.7 en 4.13 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade is daarom geen grond.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2016.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) L.V. van Donk

HD