Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
15/8106 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand. Voldoende feitelijke grondslag voor standpunt dat betrokkene niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/8106 WWB

Datum uitspraak: 18 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2015, 15/1326 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2016. Namens appellant is

mr. Rhodes verschenen en [B.] als getuige. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 12 februari 2014 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant staat vanaf 15 januari 2013 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: basisregistratie personen) ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de politie, afdeling Mensenhandel, dat op 31 juli 2014 is vastgesteld dat niet vergunde prostitutie plaatsvond op het uitkeringsadres, heeft een handhavingsspecialist van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist onder meer dossieronderzoek verricht, vergezeld door een collega een huisbezoek afgelegd en appellant gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 oktober 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

9 oktober 2014 de bijstand van appellant met ingang van 31 juli 2014 in te trekken. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres.

1.4.

Op 21 oktober 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van zijn advocaat en griffierecht. Bij besluit van 23 oktober 2014 heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op algemene en bijzondere bijstand niet is vast te stellen.

1.5.

Bij besluit van 22 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 9 oktober 2014 en 23 oktober 2014 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de woon- en leefsituatie van appellant niet conform zijn opgave is en dat op die grond sprake is van schending van de inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand sinds 31 juli 2014 niet meer kan worden vastgesteld. Aangezien er geen recht op algemene bijstand meer bestond, is de aanvraag voor bijzondere bijstand terecht afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode voor de intrekking van de bijstand loopt van 31 juli 2014 tot en met 9 oktober 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit. Daarbij is het aan het college om de nodige kennis omtrent de concrete feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de bewijslast dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust. Het ligt daarom op de weg van het college om aannemelijk te maken dat appellant in de te beoordelen periode niet feitelijk zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.3.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen van het college, zoals neergelegd in het rapport van 8 oktober 2014, voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had.

4.3.1.

De op 26 september 2014 door appellant afgelegde verklaring komt niet overeen met de in de woning van appellant aangetroffen situatie tijdens het huisbezoek. Appellant heeft verklaard dat hij alleen op het uitkeringsadres woont, terwijl tijdens het huisbezoek zeer veel dameskleding en andere damesartikelen zijn aangetroffen. De door appellant beschreven inhoud van zijn koelkast kwam niet overeen met de aangetroffen situatie tijdens het huisbezoek. Ook de door appellant beschreven inhoud van zijn keukenkastjes kwam niet overeen met de aangetroffen inhoud. Als verklaring voor de tegenstrijdigheid heeft appellant verklaard dat hij zwakbegaafd is en hierdoor niet coherent kan verklaren. Uit het ter ondersteuning van die verklaring overgelegde verslag van psychodiagnostisch onderzoek van 13 januari 2015 blijkt weliswaar dat bij appellant sprake is van een verstandelijke beperking, maar met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit dit enkele feit niet volgt dat appellant niet in staat kan worden geacht om naar juistheid te verklaren. Voorafgaand aan de verklaring van 26 september 2014 heeft appellant voorts te kennen gegeven dat geen belemmeringen bestaan om het gesprek te voeren. Daar komt nog bij dat tijdens het gesprek op 26 september 2014 de begeleider van appellant van de GGD aanwezig was.

4.3.2.

Ook in de overige onderzoeksbevindingen is steun te vinden voor het standpunt van het college dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Uit de bankafschriften van appellant blijkt dat hij in zeven maanden tijd slechts éénmaal in de buurt van zijn eigen woning heeft gepind. De daarvoor gegeven verklaring dat appellant vanwege zijn beperking veel bij zijn familie in Amsterdam-Noord verblijft, dat hij dan als hij buiten is, pint en dat hij als hij thuis komt, niet buiten de deur komt, heeft de rechtbank terecht onvoldoende geacht. De door appellant ingebrachte verklaringen van zijn kinderen en vrienden zijn evenmin voldoende om het standpunt van appellant dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres te ondersteunen. De dochter van appellant heeft tijdens de zitting van de Raad een verklaring afgelegd. Zij heeft echter niet consistent verklaard hoe vaak en waar zij appellant zag. De andere ingebrachte verklaringen zijn onvoldoende concreet en specifiek om daaraan die betekenis toe te kennen die appellant daaraan gehecht wenst te zien, terwijl bovendien een objectieve en verifieerbare onderbouwing daarvan ontbreekt.

4.4.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de aanvraag voor bijzondere bijstand op onjuiste gronden is afgewezen omdat deze aanvraag buiten de periode valt waarop de intrekking van de algemene bijstand ziet.

4.4.1.

Deze beroepsgrond is tardief aangevoerd. Appellant heeft in beroep geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen het besluit van 23 oktober 2014. Pas in de aanvullende gronden van het hoger beroep heeft appellant hiertegen voor het eerst een grond naar voren gebracht. Daarmee is deze grond op een te laat moment in de procedure ingebracht, wat tot gevolg heeft dat de beginselen van een goede procesorde zich verzetten tegen de beoordeling daarvan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat appellant deze gronden in een eerder stadium naar voren had kunnen brengen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding over de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van zijn advocaat en griffierecht een inhoudelijk oordeel te geven. Overigens heeft appellant ter zitting bij de Raad toegegeven dat hij tot de brief van 7 juli 2016 bewust geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd tegen het besluit van 23 oktober 2014.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) A.M.C. de Vries

HD