Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3896

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
15/2086 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag. Verzwegen inkomsten, privé-onttrekkingen uit eigen bedrijf. In geval van verplichte terugvordering geen beroep op zesmaandenjurisprudentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2086 WWB, 15/2087 WWB

Datum uitspraak: 18 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

24 februari 2015, 14/1165 en 14/1166 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Heiloo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Jokhan en J. van den Broek. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.H.M. Meijer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben in de jaren 2006 tot en met 2012 samen bijzondere bijstand ontvangen op grond van artikel 35 van de Wet werk en bijstand (WWB) en diverse regelingen inzake het gemeentelijk minimabeleid. Daarnaast hebben zij in de jaren 2009 tot en met 2012 een langdurigheidstoeslag ontvangen. Appellant ontving in deze periode een WAO-uitkering.

1.2.

Nadat de relatie van appellanten eind 2012 was verbroken, heeft appellante op 15 januari 2013 voor zichzelf periodieke bijstand aangevraagd. Uit onderzoek in het kader van deze aanvraag is het college gebleken dat appellante in december 2004 is gestart met de voorbereidingen voor het exploiteren van een afhaal- en bezorgcentrum van [maaltijden] , welk bedrijf [in] 2005 is geopend. Appellante heeft bij de start van het bedrijf een privéstorting gedaan van € 26.272,-. Op 15 januari 2013 heeft appellante de eenmanszaak verkocht voor de prijs van € 50.000,-, waarin begrepen een bedrag van

€ 30.000,- voor goodwill. In verband hiermee heeft het college bij appellanten gegevens opgevraagd over de periode van 2005 tot en met 2012, waaronder kopieën van de aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting en jaarrekeningen van de onderneming van appellante over de periode van 2005 tot en met 2012. Voorts heeft het college dossieronderzoek verricht. Daarbij is gebleken dat op de aanvraagformulieren voor bijzondere bijstand c.a., die betrekking hebben op de periode van januari 2006 tot en met december 2012, het bedrijf van appellante en de betaalrekening van het bedrijf niet zijn vermeld. Van het onderzoek is op 15 oktober 2013 ten aanzien van appellante een rapport opgemaakt en op 22 oktober 2013 ten aanzien van appellant.

1.3.

Appellant heeft op 30 januari 2013 een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag over 2013. Hij heeft daarbij over de referteperiode van 36 maanden als inkomsten enkel zijn WAO-uitkering opgegeven.

1.4.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 21 oktober 2013 (besluit 1) van appellante en bij besluit van 22 oktober (besluit 2) van appellant de in de jaren 2006 tot en met 2012 verleende bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag te herzien (lees: in te trekken) en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.814,20 van hen terug te vorderen en voorts bij besluit van 28 oktober 2013

(besluit 3) de aanvraag van appellant om langdurigheidtoeslag af te wijzen.

1.5.

Bij besluit van 30 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten 1 tot en met 3, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door op de diverse aanvraagformulieren het bedrijf van appellante en de daaruit genoten inkomsten niet te vermelden. Omdat de inkomsten uit WAO en uit zelfstandige arbeid over de jaren 2006 tot en met 2012 hoger waren dan de norm die geldt voor de verlening van bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag, hebben appellanten deze ten onrechte ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat uitsluitend nog in geschil is de intrekking en terugvordering over de periode van 2006 tot en met 2008.

4.2.

Appellanten hebben betwist dat zij hun inlichtingenverplichting hebben geschonden. Zij stellen dat zij bij de aanvraagformulieren van alle opgegeven inkomsten bewijsstukken hebben overgelegd, waaruit het college het verzamel- of toetsingsinkomen kon opmaken. Bovendien heeft appellante ook in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) diverse aanvragen gedaan, waarbij het verzamelinkomen is opgegeven en was ook blijkens besluiten in het kader van de kwijtschelding van gemeentelijke heffingen bij het college bekend dat appellante een onderneming had.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat appellanten op de verschillende aanvraagformulieren bij de vraag naar hun inkomsten alleen het WAO-inkomen hebben opgegeven. Op dat formulier werd expliciet gevraagd naar “overige inkomsten”, maar daar hebben appellanten niets ingevuld. Appellanten hebben bij één van de aanvragen een beschikking voorschot huurtoeslag en een beschikking voorschot zorgtoeslag overgelegd, waarin het toetsingsinkomen voor 2008 is vermeld. Daarmee hebben appellanten echter voor dat jaar niet aan hun inlichtingenverplichting voldaan. De omstandigheid dat het college bij nauwkeurige bestudering van de door appellanten bijgevoegde beschikking voorschot huurtoeslag en beschikking voorschot zorgtoeslag had kunnen vaststellen dat appellanten niet alle inkomsten op het inkomstenformulier hadden verantwoord, betekent niet dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake meer is. Het college moet met het oog op een goede en doelmatige uitvoering van de wet kunnen afgaan op de juistheid van de op aanvraagformulieren vermelde gegevens. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 27 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2072). Ook de omstandigheid dat appellanten deze inkomsten wel hebben gemeld aan het Centraal Administratiekantoor in het kader van aanvragen op grond van de Wmo en dat blijkens besluiten in het kader van kwijtschelding van gemeentelijke heffingen bij de gemeente bekend was dat appellante een onderneming had, betekent niet dat zij hebben voldaan aan hun inlichtingenverplichting. De desbetreffende melding en bekendmaking hebben immers plaatsgevonden in een ander kader en niet bij de afdeling die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de WWB. Appellanten dienden het college in het kader van de WWB de gevraagde gegevens te verstrekken.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand onder meer indien de schending tot gevolg heeft gehad dat ten onrechte bijstand is verleend.

4.5.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Tot die middelen behoren onder meer het vermogen, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de WWB, te weten de waarde van de bezittingen waarover appellanten beschikten of redelijkerwijs konden beschikken, het inkomen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de WWB alsmede de middelen die werden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.

4.6.

Uit de jaarrekeningen van het bedrijf van appellante over de jaren 2006, 2007 en 2008 blijkt dat appellante in deze jaren privéonttrekkingen heeft gedaan van respectievelijk

€ 6.578,-, € 24.729,- en € 20.962,-. Appellanten hebben deze privéonttrekkingen beschikbaar gehad voor en, zoals ter zitting in hoger beroep verklaard, ook feitelijk aangewend voor de voorziening in hun levensonderhoud. Gevoegd bij de WAO-uitkering van appellant over deze periode beschikten appellanten over deze jaren dan ook over middelen die de grens voor de verlening van bijzondere bijstand te boven gingen. Dit betekent dat de stelling van appellanten dat het college ten onrechte de winst over deze jaren en de privéonttrekkingen als in aanmerking te nemen inkomsten bij elkaar heeft opgeteld, geen bespreking meer behoeft.

4.7.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138) heeft een betrokkene in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. De stelling van appellanten dat de privéonttrekkingen in feite van de onderneming waren geleend en, omdat de winst ontoereikend was, tot verhoging van de schulden hebben geleid, kan er dan ook niet toe leiden dat deze privéonttrekkingen bij de berekening van het inkomen van appellanten buiten beschouwing moeten blijven.

4.8.

Gelet op 4.3 tot en met 4.7 was het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB verplicht de bijstand van appellanten in te trekken en de kosten van de verleende bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de WWB terug te vorderen.

4.9.

Appellanten hebben nog een beroep gedaan op de zogeheten zesmaandenjurisprudentie. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952) volgt dat de zesmaandenjurisprudentie betrekking heeft op wettelijke bepalingen waarin sprake is van een bevoegdheid van het bestuursorgaan de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Omdat hier sprake is van een verplichting tot terugvordering en niet van een terugvorderingsbevoegdheid, kan appellante zich reeds hierom niet met vrucht beroepen op bedoelde jurisprudentie.

4.10.

Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

4.11.

Appellanten hebben aangevoerd dat de terugvordering zodanig hoog is dat zij daarmee geruime tijd zullen worden geconfronteerd en voorts dat zij medische/psychische klachten hebben. Zij hebben een aanmeldformulier van 8 januari 2012 van De Rotonde - Expertisecentrum VG-GGZ betreffende appellant en een verklaring van 11 november 2013 van drs. M.M.J. Zomer, psycholoog NIP, en een brief van 24 januari 2014 van A. Wehman, Arbo-arts, betreffende appellante overgelegd. Daaruit blijkt echter niet dat de

medische/psychische klachten van appellanten zijn veroorzaakt door de terugvordering of dat terugvordering vanwege de medische/psychische situatie van appellanten tot onaanvaardbare gevolgen leidt. Verontschuldigingen voor de gedragingen die ertoe hebben geleid dat aan appellanten ten onrechte bijstand is verleend zijn niet aan te merken als dringende redenen (uitspraak van 16 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF3174). Dat appellanten geruime tijd met de terugvordering zullen worden geconfronteerd vormt evenmin zodanige reden. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft een belanghebbende als schuldenaar de bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels omtrent de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het beroep van appellanten op dringende redenen om van terugvordering af te zien treft dan ook geen doel.

4.12.

Uit 4.2 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. ter Brugge en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

HD