Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
15/1570 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen herplaatsing na onderzoek. Eervol ontslag. Herstel bevoegdheidsgebrek. Kostenveroordeling. Gronden: Nu appellant zijn grond over het herplaatsingstraject in bezwaar en beroep welbewust niet aan de orde heeft gesteld, is de Raad met de minister van oordeel dat deze grond niet meer aan de orde kan komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/211

Uitspraak

15/1570 AW

Datum uitspraak: 13 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
19 maart 2014, 13/8965 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van Raaij hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/5090 AW en 13/5091 AW, plaatsgevonden op 24 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. Van Raaij. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot en

mr. A.J. van Heusden.

In de zaken 13/5090 AW en 13/5091 AW is op 17 december 2015 uitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2015:4618).

In de zaak 15/1570 AW is het onderzoek heropend vanwege vragen over de mandatering. Partijen hebben nadere stukken en reacties ingezonden.

Op 1 september 2016 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Raaij. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Pot.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 1987 in dienst getreden van het ministerie van Defensie en was laatstelijk aangesteld als [beleidsmedewerker] bij

[de dienst].

1.2.

Bij een niet ondertekend besluit van de minister van 1 augustus 2013 is appellant meegedeeld dat hem, gelet op zijn verzoek om in aanmerking te komen voor artikel 2.7 van het Sociaal Beleidskader Defensie 2004, met toepassing van artikel 116, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard) eervol ontslag wordt verleend met ingang van 1 september 2013.

1.3.

Bij een niet ondertekend besluit van de minister van 27 augustus 2013 is appellant meegedeeld dat het besluit van 1 augustus 2013 is vervallen, dat het zowel in het interne als externe herplaatsingsonderzoek niet gelukt is een andere betrekking voor hem te vinden en dat hem, gelet daarop, met toepassing van artikel 116, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bard eervol ontslag wordt verleend met ingang van 1 september 2013.

1.4.

Bij uitspraak van 9 oktober 2013, 13/6840, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, voor zover van belang, het ontslag opgeschort tot uiterlijk 1 december 2013.

1.5.

Bij besluit van 18 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft de directeur Defensie Materieel Organisatie (DMO) namens de minister het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2013 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2013 gegrond verklaard, waarbij het besluit van 27 augustus 2013 in die zin is herroepen dat de ontslagdatum op 1 december 2013 is vastgesteld. Aan de niet-ontvankelijkverklaring ligt ten grondslag dat het besluit van 1 augustus 2013 met het besluit van 27 augustus 2013 is komen te vervallen. Aan de gegrondverklaring en de gewijzigde ontslagdatum ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Appellant heeft geen gronden naar voren gebracht ten aanzien van de wijze en zorgvuldigheid waarop het herplaatsingstraject heeft plaatsgevonden. Tijdens de zitting van de voorzieningenrechter heeft appellant desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat hij de wijze waarop het herplaatsingstraject heeft plaatsgevonden, niet bestrijdt in de onderhavige bezwaarprocedure. Omdat ook ambtshalve niet is gebleken dat aan het herplaatsingstraject gebreken kleven, wordt uitgegaan van de juistheid van het herplaatsingstraject. Gelet op wat de voorzieningenrechter heeft overwogen, is vastgesteld dat de opzegtermijn niet op juiste wijze in acht is genomen, zodat de ontslagdatum

1 december 2013 is. Voor zover sprake is van een procedureel gebrek, omdat het ontslagbesluit van 27 augustus 2013 niet is ondertekend, is dit gebrek hersteld door middel van de ondertekening van het bestreden besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Aan het oordeel van de rechtbank ligt, samengevat en voor zover van belang, het volgende ten grondslag. Appellant heeft in bezwaar geen andere gronden aangevoerd dan dat de opzegtermijn niet in acht is genomen en het ontslagbesluit niet was ondertekend. Tijdens de zitting bij de voorzieningenrechter heeft appellant uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij zijn ontslag en de wijze waarop het herplaatsingstraject is verlopen niet betwist en dat hij alleen de opzegtermijn bestrijdt. Daarbij heeft hij voorts te kennen gegeven dat hij de wijze waarop het herplaatsingstraject heeft plaatsgevonden aan de orde stelt in de hoger beroepsprocedure bij de Raad in de zaak die ziet op de juistheid van een salarisspecificatie en een verzoek om schadevergoeding (zaak 13/5090 AW). Appellant heeft verder berust in de nieuwe ontslagdatum, nu hij daartegen geen gronden heeft ingediend. Verder staat voldoende vast dat het bestreden besluit bevoegd is genomen. Tot slot komt appellant niet in aanmerking voor een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar en beroep, nu de rechtsbijstand geacht moet worden te zijn verricht als vriendendienst.

3. De Raad komt op grond van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ter zitting van de Raad op 24 september 2015 heeft appellant te kennen gegeven dat hij de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2013 niet langer bestrijdt.

3.2.

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het per

1 december 2013 verleende ontslag geen stand kan houden, omdat volgens hem geen deugdelijk herplaatsingsonderzoek heeft plaatsgevonden. De Raad stelt vast dat appellant zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase van de ontslagzaak de gelegenheid heeft gehad om aan te voeren dat en waarom naar zijn mening het herplaatsingstraject niet deugdelijk is geweest. Hij heeft van die gelegenheid echter geen gebruikgemaakt en heeft er destijds om hem moverende redenen bewust voor gekozen zijn standpunt over het herplaatsingstraject pas bij de Raad naar voren te brengen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2572), staat het een partij vrij in hoger beroep nieuwe beroepsgronden aan te voeren, maar dat geldt niet ten aanzien van beroepsgronden die in een eerdere fase van de procedure welbewust niet aan de orde zijn gesteld dan wel zijn

prijsgegeven. Nu appellant zijn grond over het herplaatsingstraject in bezwaar en beroep welbewust niet aan de orde heeft gesteld, is de Raad met de minister van oordeel dat deze grond niet meer aan de orde kan komen.

3.3.

Appellant heeft verder in hoger beroep herhaald dat het ontslagbesluit geen stand kan houden, omdat het onbevoegd is genomen. Met betrekking tot deze beroepsgrond overweegt de Raad allereerst dat een bevoegdheidsgebrek in een primair besluit, anders dan appellant lijkt aan te nemen, kan worden hersteld bij een besluit op bezwaar. De minister heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat die situatie zich hier voordoet. In hoger beroep heeft de minister echter erkend dat (ook) aan het bestreden besluit een bevoegdheidsgebrek kleeft. Aangezien immers bij gebreke van een ondermandaat uitsluitend de directeur DMO bevoegd was om namens de minister het ontslagbesluit van 27 augustus 2013 te nemen, kwam de directeur DMO ingevolge artikel 8 van het Mandaatbesluit uitvoerende bevoegdheden BARD niet de bevoegdheid toe om namens de minister op het bezwaar tegen het ontslagbesluit te beslissen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

3.4.

Ingevolge artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals dit luidt vanaf

1 januari 2013, kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Nu de minister bij besluit van

7 december 2015 het bestreden besluit volledig voor zijn rekening heeft genomen en niet aannemelijk is dat appellant door het bevoegdheidsgebrek is benadeeld, ziet de Raad aanleiding het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand te laten. De stelling van appellant dat hij belang heeft bij een vernietiging van het bestreden besluit met het oog op een proceskostenveroordeling, wordt niet onderschreven, nu toepassing van artikel 6:22 van de Awb daaraan niet in de weg staat. De stelling van appellant dat het ontslag voor hem nadelige financiële gevolgen heeft gehad, is, gelet op de bekrachtiging door de minister van het overigens rechtmatig te achten ontslag, evenmin reden om het bestreden besluit te vernietigen en af te zien van toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

3.5.

Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad ziet vanwege het door appellant terecht aangevoerde bevoegdheidsgebrek aanleiding voor een kostenveroordeling. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) komt appellant in aanmerking voor de door hem gevraagde vergoeding van de reiskosten voor de zitting van de Raad. Deze reiskosten, berekend op basis van openbaar vervoer tweede klas, bedragen € 24,80. Ten aanzien van de door appellant verzochte veroordeling van de minister in de kosten van rechtsbijstand verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak van 17 december 2015, waarin het verzoek is afgewezen op de grond dat de rechtsbijstand van mr. Van Raaij aan appellant niet is aan te merken als beroepsmatig verleende rechtsbijstand, maar als een vriendendienst. De Raad ziet ten aanzien van de tot die uitspraak verleende rechtsbijstand geen aanleiding voor een ander oordeel. Gelet op de opstelling van appellant nadien, de door mr. Van Raaij aan appellant verstuurde factuur van 16 februari 2016 voor het opstellen van de reactie naar aanleiding van het standpunt van de minister inzake de mandatering en bekrachtiging en de spoedige betaling van die factuur door appellant aan mr. Van Raaij, ziet de Raad, anders dan de minister, thans voldoende grond om de door de gemachtigde van appellant verleende rechtsbijstand aan te merken als beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van het Bpb de minister te veroordelen in de kosten van appellant voor de zojuist vermelde reactie alsmede het verschijnen ter zitting op 1 september 2016. Deze kosten worden begroot op

€ 744,- (1,5 x 1 punt). Tevens bestaat aanleiding te bepalen dat de minister het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- bepaalt dat de minister het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 406,- aan appellant vergoedt;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 768,80.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M. Kraefft en R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2016.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A. Mansourova

HD