Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
15/2873 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Betalingsherinnering. Geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. 2) Vaststelling buitenlandbijdrage over 2011 en (3) 2012. De rechtbank heeft het beroep van appellant te beperkt opgevat en bestreden besluit 3 ten onrechte buiten de omvang van het geschil gelaten. De in hoger beroep herhaalde gronden zijn in de aangevallen uitspraak voor wat betreft de buitenlandbijdrage 2011 afdoende besproken. Hierbij heeft de rechtbank overtuigend gemotiveerd waarom deze gronden niet leiden tot vernietiging van bestreden besluit 2. Deze gronden kunnen evenmin leiden tot vernietiging van bestreden besluit 3. De in artikel 6.3.3 van de Regeling Zorgverzekering opgenomen termijnen voor het vaststellen van de definitieve jaarafrekening zijn geen verval- of verjaringstermijnen. Het Zorginstituut was niet gehouden om de uitkomst van het bezwaar en beroep af te wachten alvorens de invordering van de door appellant verschuldigde buitenlandbijdrage over te dragen aan de deurwaarder.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:16
Algemene wet bestuursrecht 8:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2016/243
ABkort 2016/383

Uitspraak

15/2873 ZVW

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
19 maart 2015, 14/7028 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk) (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2016. Appellant is – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1946, woont in het Verenigd Koninkrijk. In november 2011 bereikte hij de pensioengerechtigde leeftijd. Appellant ontvangt vanaf november 2011 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en een pensioen van het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf.

1.2.

Het Zorginstituut heeft appellant vanaf 8 november 2011 als verdragsgerechtigde aangemerkt. Daaraan heeft het Zorginstituut ten grondslag gelegd dat appellant op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) recht heeft op zorg in zijn woonland (Verenigd Koninkrijk) ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is hij op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bijdrage verschuldigd (de buitenlandbijdrage). Het bevoegde orgaan, de Shared Services Durman House in het Verenigd Koninkrijk, heeft door middel van het E121 formulier op 19 april 2012 bevestigd dat appellant met ingang van 8 november 2011 in het Verenigd Koninkrijk is ingeschreven voor medische zorg en dat de kosten voor die zorg ten laste van Nederland komen.

1.3.

Bij besluit van 30 augustus 2012 heeft het Zorginstituut de buitenlandbijdrage over de periode 8 november 2011 tot en met 31 december 2011 (hierna: 2011) voorlopig vastgesteld op € 150,22.

1.4.

Bij besluit van 24 juni 2013 heeft het Zorginstituut de buitenlandbijdrage over 2011 definitief vastgesteld op € 150,22.

1.5.

Bij besluit van 16 september 2013 heeft het Zorginstituut de buitenlandbijdrage over 2012 vastgesteld op € 1.553,03. Daarbij is tevens vastgesteld dat op het inkomen van appellant € 1.286,21 is ingehouden en dat appellant nog € 266,82 moet betalen.

1.6.

Op 13 juni 2014 heeft het Zorginstituut naar aanleiding van de onder 1.3 tot en met 1.5 genoemde besluiten aan appellant een betalingsherinnering toegestuurd. Hierbij is appellant verzocht om binnen veertien dagen het in totaal openstaande bedrag van € 417,04 te betalen.

1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 18 september 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Zorginstituut het bezwaar van appellant tegen de betalingsherinnering van 13 juni 2014
niet-ontvankelijk verklaard omdat de betalingsherinnering geen wijziging in zijn rechtspositie met zich brengt en daarom geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.8.

Bij twee (afzonderlijke) beslissingen op bezwaar van 18 september 2014 (bestreden besluiten 2 en 3) heeft het Zorginstituut de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 24 juni 2013 (buitenlandbijdrage 2011) en 16 september 2013 (buitenlandbijdrage 2012) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep zich uitsluitend richt tegen de betalingsherinnering (bestreden besluit 1) en de buitenlandbijdrage over 2011 (bestreden besluit 2). Voor zover het gaat om de betalingsherinnering, heeft het Zorginstituut volgens de rechtbank terecht geoordeeld dat daartegen geen bezwaar kan worden gemaakt, omdat de betalingsherinnering geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank heeft ten aanzien van de buitenlandbijdrage over 2011 geoordeeld dat appellant verdragsgerechtigd is op grond Vo 883/2004 en dat hij op grond van artikel 69 van de Zvw een buitenlandbijdrage verschuldigd is. Het beroep op het keuzerecht heeft de rechtbank onder verwijzing naar uitspraken van de Raad en het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) verworpen. Verder heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 31 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4464) overwogen dat het Zorginstituut gelet op het imperatieve karakter van de Zvw verplicht is de buitenlandbijdrage in te houden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX9233) heeft de rechtbank het beroep op strijd met artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verworpen.

3. Appellant heeft in hoger beroep de bij de rechtbank aangevoerde gronden herhaald. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de rechtbank zijn beroep te beperkt heeft opgevat, dat het Zorginstituut zich niet aan de wettelijke regels heeft gehouden, dat hij recht heeft op medische zorg op basis van het Engelse (ingezetenen)stelsel en dat de buitenlandbijdrage te laat is vastgesteld. Verder is het Zorginstituut tot invordering van de buitenlandbijdrage en tot beslaglegging overgegaan zonder hem te attenderen op artikel 6:16 van de Awb. Hierdoor heeft hij schade geleden. Ten slotte heeft hij, voor zover van belang, naar voren gebracht dat in het geval zijn hoger beroep wordt afgewezen de zaak moet worden voorgelegd aan het Hof.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De betalingsherinnering

4.1.

Het oordeel van de rechtbank dat de brief van 13 juni 2013 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb wordt onderschreven. Deze brief is terecht aangemerkt als betalingsherinnering en is niet gericht op rechtsgevolg.

De vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2011 en 2012

4.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant te beperkt opgevat en bestreden besluit 3 ten onrechte buiten de omvang van het geschil gelaten. Appellant heeft in zijn beroepschrift bij de rechtbank weliswaar enkel het kenmerk van bestreden besluit 2 vermeld, maar hij heeft tezamen met zijn beroepschrift een samenstel van pagina’s van zowel bestreden besluit 2 als bestreden besluit 3 ingezonden en beroepsgronden aangevoerd die betrekking hebben op bestreden besluiten 2 en 3. Verder omvat zijn (aanvullend) beroepschrift ook gronden die specifiek zijn gericht tegen bestreden besluit 3. Aldus heeft de rechtbank de omvang van het aan haar voorgelegde geschil in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb te beperkt opgevat. De aangevallen uitspraak wordt daarom vernietigd voor zover daarbij niet is beslist over bestreden besluit 3. Gelet op de duidelijke samenhang van de beroepen zal doende wat de rechtbank zou behoren te doen tevens bestreden besluit 3 worden beoordeeld.

4.3.

De door appellant in hoger beroep herhaalde gronden over het ten onrechte zijn aangemerkt als verdragsgerechtigde, de bijdrageplicht, het keuzerecht, de verplichting van het Zorginstituut om de buitenlandbijdrage in te houden en de strijd met artikel 21 van het VWEU zijn in de aangevallen uitspraak voor wat betreft de buitenlandbijdrage 2011 (bestreden besluit 2) afdoende besproken. Hierbij heeft de rechtbank overtuigend gemotiveerd waarom deze gronden niet leiden tot vernietiging van bestreden besluit 2. Deze gronden kunnen evenmin leiden tot vernietiging van bestreden besluit 3.

4.4.

Het betoog van appellant dat hij als ingezetene van het Verenigd Koninkrijk volgens de Engelse regelgeving recht heeft op medische zorg op basis van het Engelse (ingezetenen) stelsel en dat hij daarom niet bijdrageplichtig is, treft geen doel. In zijn situatie viel dit recht op verstrekkingen immers onder artikel 25 van Vo 883/2004, omdat het wettelijk recht op verstrekkingen niet afhankelijk is gesteld van voorwaarden inzake verzekering of arbeid als in dat artikel bedoeld. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 6 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1272).

4.5.

Wat betreft de late vaststelling van de buitenlandbijdragen 2011 en 2012 wordt als volgt geoordeeld. In artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling Zorgverzekering (Regeling) is – kort gezegd – bepaald dat het Zorginstituut het verschil tussen de ingehouden of geïnde buitenlandbijdrage en de verschuldigde buitenlandbijdrage definitief vaststelt uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen (Ninbi-beschikking) onherroepelijk zijn geworden. Zoals het Zorginstituut ter zitting heeft verklaard is de Ninbi-beschikking over 2011 gedateerd op 12 november 2012. De beslistermijn voor de definitieve vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2011 eindigt op grond van artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling op 24 juni 2013. De jaarafrekening van de over het jaar 2011 verschuldigde buitenlandbijdrage is bij besluit van 24 juni 2013 definitief vastgesteld binnen de beslistermijn. Ondanks dat de datum waarop de Ninbi-beschikking over 2012 is genomen niet bekend is, kan er van uit worden gegaan dat de Ninbi-beschikking over 2012 niet voor april 2013 is vastgesteld. Gelet daarop is de buitenlandbijdrage over 2012 bij besluit van 16 september 2013 tijdig definitief vastgesteld. Overigens zijn de in artikel 6.3.3 van de Regeling opgenomen termijnen voor het vaststellen van de definitieve jaarafrekening geen verval- of verjaringstermijnen. Zoals de Raad ten aanzien van de termijn voor het vaststellen van de definitieve jaarafrekening vaker heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 28 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY4745) betekent overschrijding van deze termijn dan ook niet dat het Zorginstituut geen bijdrage meer zou mogen vaststellen.

4.6.

Voor zover appellant opkomt tegen de invordering van de verschuldigde buitenlandbijdrage door een deurwaarder dient appellant zich te wenden tot de civiele rechter, aangezien de bestuursrechter op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb niet bevoegd is om hierover te oordelen. Verder is in dit verband van belang dat in artikel 6:16 van de Awb als hoofdregel is vastgelegd dat het maken van bezwaar of het instellen van beroep niet leidt tot schorsing van rechtswege van het bestreden besluit. Voor de verschuldigdheid van de buitenlandbijdrage is hierop geen uitzondering gemaakt. Het Zorginstituut heeft hangende het beroep bij de rechtbank op 21 november 2014 de vordering overgedragen aan de deurwaarder, die op 9 december 2014 het dwangbevel heeft betekend. Uit afdeling 4.4.4 van de Awb volgt dat het Zorginstituut bevoegd is tot aanmaning en invordering bij dwangbevel en dat het Zorginstituut wat betreft de invordering over dezelfde bevoegdheden beschikt als die van een schuldeiser op grond van het privaatrecht. Het Zorginstituut was dus niet gehouden om de uitkomst van het bezwaar en beroep af te wachten alvorens de invordering van de door appellant verschuldigde buitenlandbijdrage over te dragen aan de deurwaarder.

4.7.

Zoals uit bovenstaande overwegingen blijkt, roept de zaak van appellant geen nieuwe rechtsvragen op die nog niet door het Hof zijn besproken en beantwoord. Voor het overige is de juiste toepassing van het Unierecht zo evident, dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de beantwoording van de in geschil zijnde rechtsvragen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding in deze zaak prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij niet is beslist op het beroep tegen bestreden besluit 3. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen wordt het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank niet heeft beslist op het beroep tegen het besluit van 18 september 2014, dat betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2013;

  • -

    verklaart dat beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    bepaalt dat het Zorginstituut aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) I.G.A.H. Toma

UM