Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3875

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
16/626 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk hoofdverblijf in verband met zorgbehoefte cq mantelzorg: Appellante woont bij haar broer en schoonzus in. Appellante stelt dat zij als jonggehandicapte is aan te merken. Haar broer heeft een huis gekocht waarbij rekening is gehouden met haar handicap. Er zijn door het geven van mantelzorg hogere kosten voor broer en schoonzus, stelt appellante. De reden van de gezamenlijke bewoning staan los van de voordelen daarvan. Aan de wetsgeschiedenis is te ontlenen dat de voordelen waarmee de kostendelerskorting rekening houdt ook aanwezig zijn bij verlenen van mantelzorg. De wetgever heeft de mantelzorgsituaties bewust niet willen uitzonderen van de kostendelersnorm. Dat er geen stapeling is van uitkeringen binnen de woning betekent niet dat de kostendelersnorm niet van toepassing is. Het voorkomen van stapeling van uitkeringen binnen één woning raakt de doelstelling dat de bijstand houdbaar en toegankelijk blijft voor de toekomst. Beroep op artikel 26 IVBPR is tardief, eerst ter zitting, naar voren gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/5 met annotatie van F. Schulmer, L. op den Camp
Gst. 2017/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 626 PW

Datum uitspraak: 1 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 december 2015, 15/4063 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Spek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Namens appellante zijn verschenen mr. Spek en [naam broer] , de broer van appellante. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Zij was ten tijde hier van belang inwonend op het adres van haar broer en schoonzus.

1.2.

Bij besluit van 13 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 mei 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2015 gewijzigd door toepassing te geven aan de kostendelersnorm in de zin van artikel 22a van de PW. In verband met het kunnen delen van de kosten met haar broer en schoonzus ontvangt appellante 43,3% van de gehuwdennorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand (WWB) en is met artikel 22a van de PW de “Kostendelersnorm” ingevoerd. In deze zaak is van toepassing de tekst van deze bepaling zoals die luidde tot 1 januari 2016. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende, behoudens de uitzonderingssituaties zoals genoemd in het derde en

vierde lid:

((40% + A × 30%) / A) × B

Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.

4.2.

Aan de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22a van de PW (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 3 t/m 8) ontleent de Raad dat de wetgever met de introductie van de kostendelersnorm heeft beoogd dat bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm direct rekening wordt gehouden met de voordelen van het kunnen delen van de kosten met één of meer personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Dat in de bijstandswetgeving met die voordelen rekening wordt gehouden is niet nieuw. De bijstandssystematiek tot de invoering van de kostendelersnorm ging er ook al van uit dat personen met een hoofdverblijf in dezelfde woning kosten met elkaar kunnen delen. De bij de uitvoering van de bijstandswetgeving betrokken bestuursorganen hadden tot de inwerkingtreding van de PW in een dergelijke situatie de plicht om overeenkomstig een daartoe vastgestelde verordening de bijstandsuitkering aan te passen door het al dan niet toekennen van een toeslag op, of het toepassen van een verlaging van, de toepasselijke bijstandsnorm. Hierbij werd echter geen rekening gehouden met het aantal kosten delende medebewoners binnen een woning, terwijl de mate waarin de gemiddelde kosten per persoon dalen door het hoofdverblijf houden in dezelfde woning, wel afhankelijk is van het aantal in de woning verblijvende personen met wie de kosten kunnen worden gedeeld. Met de invoering van de kostendelersnorm heeft de wetgever rekening willen houden met de schaalvoordelen, die groter zijn naarmate er meer kosten delende medebewoners zijn. De wetgever heeft dit rechtstreeks in de toepasselijke bijstandsnorm tot uitdrukking willen laten komen. Door invoering van de kostendelersnorm blijft volgens de wetgever de vangnetfunctie van de bijstand gewaarborgd, blijft een individueel recht op bijstand behouden, blijft het lonend om te werken en wordt een bijdrage geleverd om de schatkist van de overheid op orde te brengen.

4.3.

Bij toepassing van de kostendelersnorm speelt de aard van het inkomen van elk van de kosten delende medebewoners geen rol. Evenmin is relevant de vraag of die medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. In dit verband wordt verwezen naar vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9386) die ook onder de werking van de PW zijn gelding behoudt. Voorts is in de wetsgeschiedenis nadrukkelijk overwogen dat de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt, los staan van de redenen waarom men de woning deelt (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16).

4.4.

Niet in geschil is dat het bij het bestreden besluit gehandhaafde wijzigingsbesluit in overeenstemming is met artikel 22a van de PW en met het toepasselijke overgangsrecht. Appellante heeft aangevoerd dat zij is aan te merken als een jonggehandicapte gelet op haar aandoening. Zij wordt echter anders behandeld dan mensen van dezelfde leeftijd die wel een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) hebben, omdat deze jonggehandicapten in het jaar voor zij 18 werden, anders dan appellante, in Nederland woonden. De broer en schoonzus hebben bewust een woning gekocht waarin zij appellante kunnen huisvesten en verzorgen. Zij hebben hierdoor hogere woonlasten dan in het geval zij appellante niet in huis zouden hebben gehad. Ook is sprake van een hoger

energie- en waterverbruik. In dit verband wordt verwezen naar het advies van de Raad van State op het wetsvoorstel, waarin wordt gesteld dat het geven van mantelzorg gepaard kan gaan met kosten.

4.5.

Deze gronden slagen niet. Wat appellante heeft aangevoerd over de Wajong valt buiten de omvang van dit geding. Verder wordt met betrekking tot de gestelde extra kosten in eerste instantie verwezen naar 4.3. In het verlengde daarvan ontleent de Raad aan de wetsgeschiedenis van artikel 22a van de PW dat de voordelen waar de kostendelersnorm rekening mee houdt ook aanwezig zijn als sprake is van het verlenen van mantelzorg. Het doel van de uitkering is om een inkomen te bieden op het bestaansminimum voor mensen die (tijdelijk) niet kunnen werken en is niet het geëigende middel om mantelzorg te stimuleren (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16). Hieruit volgt dat de wetgever mantelzorgsituaties bewust niet heeft willen uitzonderen van de kostendelersnorm. In het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State heeft de regering in dit verband erop gewezen dat instrumenten beschikbaar zijn die belemmeringen voor het bieden van mantelzorg wegnemen. Zo geldt voor bijstandsgerechtigden dat het hebben van zorgtaken een dringende reden kan zijn waardoor men tijdelijk ontheven wordt van de verplichting tot arbeidsinschakeling of van het uitvoeren van een tegenprestatie. Ook is het huidige mantelzorgcompliment van de middelentoets in de WWB uitgezonderd (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 4, blz. 16).

4.6.

Appellante heeft verder, onder verwijzing naar de memorie van toelichting op artikel 22a van de PW, aangevoerd dat een van de doelstellingen van de invoering van de kostendelersnorm is om stapeling van uitkeringen binnen een huishouden te voorkomen. Daarvan is in haar geval geen sprake, omdat haar broer en schoonzus geen uitkering ontvangen. Deze grond slaagt evenmin. Verwezen wordt naar de wetsgeschiedenis zoals weergegeven onder 4.2 en 4.3, waarin is verwoord dat de aard van het inkomen geen rol speelt en dat uitsluitend van belang is de mogelijkheid om kosten te delen van meerdere personen binnen dezelfde woning. Dat in de memorie van toelichting is opgenomen dat de wetgever wil voorkomen dat binnen een huishouden sprake kan zijn van stapeling van uitkeringen (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 1 en 2), doet niet af aan de doelstelling van de wetgever om te zorgen dat de bijstand houdbaar en toegankelijk blijft voor de toekomst. Dit wil de wetgever bereiken door bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm rekening te houden met de voordelen van het delen van de kosten met één of meer personen met een hoofdverblijf binnen dezelfde woning.

4.7.

Het beroep van appellante op artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten merkt de Raad als tardief aan, omdat deze beroepsgrond eerst ter zitting naar voren is gebracht en het college daarop niet heeft kunnen reageren. Om die reden wordt deze beroepsgrond buiten bespreking gelaten.

4.8.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding bestaat daarom geen grond.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A.B.J. van der Ham en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.M.C. de Vries

HD