Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3869

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
15/7873 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk hoofdverblijf in verband met zorgbehoefte cq mantelzorg: Appellante woont met haar lichamelijk en geestelijk gehandicapte zoon in een woning. De wetgever heeft er bewust voor gekozen de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die woning delen met een bloedverwant in de eerste of tweede graad waarbij sprake is van zorgbehoefte. De zorg van appellante voor haar zoon kan er op zichzelf niet toe leiden dat de bijstand met toepassing van artikel 18, lid 1, van de PW wordt afgestemd in afwijking van de kostendelersnorm. Voor de gestelde kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden (kosten van auto om zoon te vervoeren) kan een aanvraag om bijzondere bijstand worden gedaan (artikel 35 PW).

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 18
Wet werk en bijstand 35
Wet werk en bijstand 22a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/2077
AB 2016/441 met annotatie van J.C. de Wit, mr. H. Nummerdor-Buijs
USZ 2017/6 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
NBJ-Pw/13/023 met annotatie van mr. Lance op den Camp
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7873 PW

Datum uitspraak: 1 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

30 oktober 2015, 15/1638 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Bertholet.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 15 februari 2014 bijstand naar de norm voor een alleenstaande die de kosten van het bestaan kan delen, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Zij heeft haar hoofdverblijf in dezelfde woning als haar meerderjarige zoon.

1.2.

Bij besluit van 13 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 april 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstandsuitkering van appellante met ingang van 1 juli 2015 verlaagd tot 50% van de norm voor gehuwden in verband met toepassing van de kostendelersnorm op grond van artikel 22a, eerste lid, van de PW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand (WWB) en is met artikel 22a van de PW de “kostendelersnorm” ingevoerd. In deze zaak is van toepassing de tekst van deze bepaling zoals die luidde tot 1 januari 2016. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende, behoudens de uitzonderingssituaties zoals genoemd in het derde en vierde lid:

((40% + A × 30%) / A) × B

Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.

4.1.2.

Aan de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22a van de PW

(Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 3 t/m 8) ontleent de Raad dat de wetgever met de introductie van de kostendelersnorm heeft beoogd dat bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm direct rekening wordt gehouden met de voordelen van het kunnen delen van de kosten met één of meer personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Dat in de bijstandswetgeving met die voordelen rekening wordt gehouden is niet nieuw. De bijstandssystematiek tot de invoering van de kostendelersnorm ging er ook al van uit dat personen met een hoofdverblijf in dezelfde woning kosten met elkaar kunnen delen. De bij de uitvoering van de bijstandswetgeving betrokken bestuursorganen hadden tot de inwerkingtreding van de PW in een dergelijke situatie de plicht om overeenkomstig een daartoe vastgestelde verordening de bijstandsuitkering aan te passen door het al dan niet toekennen van een toeslag op, of het toepassen van een verlaging van, de toepasselijke bijstandsnorm. Hierbij werd echter geen rekening gehouden met het aantal kosten delende medebewoners binnen een woning, terwijl de mate waarin de gemiddelde kosten per persoon dalen door het hoofdverblijf houden in dezelfde woning, wel afhankelijk is van het aantal in de woning verblijvende personen met wie de kosten kunnen worden gedeeld. Met de invoering van de kostendelersnorm heeft de wetgever rekening willen houden met de schaalvoordelen, die groter zijn naarmate er meer kosten delende medebewoners zijn. De wetgever heeft dit rechtstreeks in de toepasselijke bijstandsnorm tot uitdrukking willen laten komen. Door invoering van de kostendelersnorm blijft volgens de wetgever de vangnetfunctie van de bijstand gewaarborgd, blijft een individueel recht op bijstand behouden, blijft het lonend om te werken en wordt een bijdrage geleverd om de schatkist van de overheid op orde te brengen.

4.1.3.

Bij toepassing van de kostendelersnorm speelt de aard van het inkomen van elk van de kosten delende medebewoners geen rol. Evenmin is relevant de vraag of die medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. In dit verband wordt verwezen naar vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9386) die ook onder de werking van de PW zijn gelding behoudt. Voorts is in de wetsgeschiedenis nadrukkelijk overwogen dat de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt, los staan van de redenen waarom men de woning deelt (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16).

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de zorg op zich heeft genomen voor haar zoon, die lichamelijk en geestelijk gehandicapt is en epilepsie heeft. Door de verlaging van haar bijstand kan appellante haar auto, die zij gebruikt voor het noodzakelijke vervoer van haar zoon en voor haar vrijwilligerswerk, niet meer bekostigen. Toepassing van artikel 22a, eerste lid, van de PW leidt in haar geval daarom tot een onbillijkheid van overwegende aard, zodat het college daarvan moet afwijken. Het college moet met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW de bijstand afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van appellante, en dus verhogen.

4.2.1.

De PW biedt geen grondslag voor afwijking van de kostendelersnorm op de grond dat toepassing ervan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Bovendien heeft de wetgever, zoals blijkt uit 4.1.3, nadrukkelijk overwogen dat de voordelen van het kunnen delen van de kosten met woningdelers los staan van de redenen waarom men de woning deelt. Daarbij heeft de wetgever er bewust voor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als een bloedverwant in de eerste of tweede graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16). De zorg die appellante aan haar zoon verleent kan er daarom op zichzelf niet toe leiden dat het college met toepassing van

artikel 18, eerste lid, van de WWB, van de kostendelersnorm afwijkt. Voor zover appellante stelt dat zij of de zoon noodzakelijke kosten hebben die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden dient de vraag of hiervoor aan appellante of de zoon (bijzondere) bijstand kan worden verstrekt te worden beantwoord aan de hand van artikel 35 van de WWB.

4.3.

Uit 4.2.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.H. Bel en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.L. Meijer

HD