Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3867

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
16/4220 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek van appellant niet is aan te merken als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Veeleer gaat het er appellant om dat het college door het uitspreken van vertrouwen in hem bijdraagt aan een veilige werkomgeving en veilige werkomstandigheden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2016/244
ABkort 2016/376
TAR 2016/212

Uitspraak

16/4220 AW

Datum uitspraak: 13 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

21 april 2016, 15/4660 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Jaab, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 15/4940 AW, 15/4941 AW en

15/7971 AW, plaatsgevonden op 1 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jaab. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Blanken,

J.P. Verplanke en M.M.E. Ballering. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een meer uitgebreide beschrijving van de aanleiding voor de onderhavige procedure verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden met de zaaknummers 15/4940 AW,

15/4941 AW en 15/7971 AW. Hier wordt volstaan met het volgende.

1.2.

Appellant stelt dat hij door signalen van een aantal met name genoemde personen onderwerp is geweest van verscheidene integriteitsonderzoeken, op grond waarvan het college maatregelen tegen hem heeft genomen, die door de rechtbank Noord-Holland bij haar uitspraak van 5 juni 2015, 14/3253 en 15/1096, ongedaan zijn gemaakt. Desondanks wordt hij nog steeds beschadigd door diffamerende uitlatingen van twee met name genoemde derden. Bij brief van 15 juni 2015, herhaald bij brief van 26 juli 2015, heeft appellant het college verzocht om hem tegen uitlatingen van deze met name genoemde derden in bescherming te nemen. Bij brief van 1 september 2015 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek.

1.3.

Bij besluit van 10 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat het verzoek om bescherming geen aanvraag is tot het geven van een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat er ook geen bezwaar kan worden gemaakt tegen het uitblijven van die beschikking. Bovendien is het op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb sinds

1 oktober 2009 niet (meer) mogelijk bezwaar te maken tegen het niet tijdig nemen van een beschikking. Voorts heeft het college aan het (herhaalde) verzoek van appellant om bescherming invulling gegeven door middel van voortzetting van het overleg over een minnelijke regeling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het verzoek van appellant niet is aan te merken als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Het verzoek om bescherming is immers niet te duiden als, dan wel te herleiden tot een door het college te nemen schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ook kan het verzoek niet worden gelijkgesteld met een verzoek tot het verrichten van een andere handeling waarbij een ambtenaar is betrokken als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, onder 1°, van de Awb. Veeleer gaat het er appellant om dat het college door het uitspreken van vertrouwen in hem bijdraagt aan een veilige werkomgeving en veilige werkomstandigheden. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze wens van appellant onderwerp kan uitmaken van het overleg over de wijze waarop hij als uitvloeisel van de rechterlijke uitspraak in staat wordt gesteld zijn werkzaamheden te hervatten en over de vraag hoe gemeenschappelijke communicatie daaraan een bijdrage kan leveren.

3.2.

De Raad kan appellant voorts niet volgen in zijn stelling dat de rechtbank, indien zij van oordeel zou zijn geweest dat onterecht beroep is ingesteld tegen het besluit om het verzoek om bescherming af te wijzen, het beroepschrift op grond van artikel 6:15 van de Awb als bezwaarschrift had moeten aanmerken en het door had moeten zenden aan het college. Deze stelling ziet er immers aan voorbij dat het desbetreffende deel van het besluit van

10 september 2015, zoals hiervoor is overwogen, geen beschikking is op een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Het is daarom niet vatbaar voor bezwaar en de doorzendplicht van artikel 6:15 van de Awb is niet van toepassing.

4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) L.V. van Donk

HD