Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3864

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
15/2383 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WW-uitkering. Hennepkwekerij. Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1044

Uitspraak

15/2383 WW

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
26 februari 2015, 14/2754 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2016. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. De Widt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 1 februari 2008 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en Toeslagenwet, gebaseerd op een gemiddeld verlies van 38 arbeidsuren per week.

1.2.

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het Uwv de WW-uitkering en toeslag van appellant over de periode van 14 april 2008 tot en met 25 oktober 2009 ingetrokken. Tevens heeft het Uwv een bedrag van € 20.542,21 als onverschuldigd betaalde WW-uitkering en toeslag van appellant teruggevorderd. Aan dit besluit is, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met zijn inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat hij met ingang van 14 april 2008 een hennepkwekerij was begonnen, waardoor hij zijn hoedanigheid als werknemer heeft verloren omdat hij vanaf 14 april 2008 beschouwd wordt als zelfstandig ondernemer.

1.3.

Het Uwv heeft het door appellant daartegen gemaakte bezwaar bij besluit van
27 september 2010 ongegrond verklaard en het besluit van 16 juni 2010 gehandhaafd. Appellant heeft tegen deze beslissing geen beroep ingesteld.

1.4.

Bij vonnis van 30 maart 2011 heeft de politierechter van de rechtbank Almelo appellant veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod gepleegd in de periode van 9 november 2009 tot en met 23 maart 2010 te [woonplaats]. Bij beslissing van 27 oktober 2011 van de politierechter is appellant verplicht tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 18.551,52 wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.

1.5.

Naar aanleiding van het vonnis van de politierechter van 30 maart 2011 en de beslissing van 27 oktober 2011 heeft appellant bij brief van 24 april 2014 het Uwv verzocht terug te komen op het besluit van 16 juni 2010. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.

1.6.

Bij besluit van 6 mei 2014 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het oordeel van de politierechter geen nieuw feit of omstandigheid is dat kan leiden tot aanpassing van het herzienings- en terugvorderingsbesluit. Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 18 september 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de beslissing van de politierechter in de strafrechtelijke procedure niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit of een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een dergelijk vonnis kan volgens de rechtbank immers geen afbreuk doen aan de grondslag van het besluit van 16 juni 2010. Daarbij is volgens de rechtbank van belang dat het Uwv, evenmin als de bestuursrechter, gebonden is aan het oordeel van de strafrechter en dat hij in beginsel kan uitgaan van een eigen vaststelling en waardering van de van belang zijnde feiten en omstandigheden. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om in de hier voorliggende zaak anders te oordelen. Het Uwv was dan ook bevoegd het verzoek om terug te komen van het besluit van 16 juni 2010 af te wijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat er wel sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Daartoe heeft appellant gesteld dat het Uwv zelf in het kader van het herzieningsbesluit geen onderzoek heeft gedaan naar de feiten en omstandigheden, maar zich uitsluitend heeft gebaseerd op het politierapport. Volgens appellant heeft de rechtbank in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel niet in de aangevallen uitspraak gemotiveerd waarom de herziening en terugvordering gebaseerd konden worden op uitlatingen van een politieagent, terwijl uit de strafzaak volgt dat deze uitlatingen niet zijn bewezen. Hoewel het procesrecht inzake het bestuursrecht anders is dan inzake het strafrecht dient volgens appellant onder deze omstandigheden het vonnis van de politierechter te worden aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit van 16 juni 2010, waarvan appellant het Uwv verzocht heeft terug te komen, is in rechte onaantastbaar geworden. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.2.

Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft appellant gewezen op het vonnis van de politierechter van 30 maart 2011 en op de ontnemingsbeslissing van 27 oktober 2011. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat dit geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Het gaat daarbij immers niet om feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd, maar om een strafrechtelijke waardering van reeds bekende feiten en omstandigheden. Die feiten en omstandigheden betroffen bovendien een andere periode dan die waarop het besluit van 16 juni 2010 betrekking had. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 16 juni 2010. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen omstandigheden gelegen die het Uwv in het onderhavige geval aanleiding hadden moeten geven om tot een andere beslissing te komen. Niet is gebleken dat het Uwv daarbij heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.3.

Uit wat onder 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en B.M. van Dun en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) J.M.M. van Dalen

NW