Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3862

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
14-6028 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning ouderdomspensioen ter hoogte van 60% van het pensioen voor een alleenstaande omdat appellante, gedurende het tijdvak van 15 december 1981 tot 1 april 1983, toen haar echtgenoot in Nederland verzekerd was ingevolge de AOW, in Polen verzekerd was ingevolge de Poolse wettelijke regeling, zodat dit tijdvak op grond van Bijlage XI bij Verordening EG nr. 883/2004 (Vo 883/2004) niet als verzekerd tijdvak in aanmerking kan worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/6028 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
23 september 2014, 13/5452 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Schaap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2016. Appellante en haar gemachtigde zijn daarbij verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op [geboortedatum] 1948 geboren in Polen. Zij is daar op 24 januari 1976 gehuwd met [naam echtgenoot] , geboren op [geboortedatum] 1950. De echtgenoot van appellante is in 1981 naar Nederland gekomen en is hier te lande vanaf 15 december 1981 verzekerd geweest ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellante is aanvankelijk nog in Polen gebleven en aldaar is zij blijkens een door het Poolse uitvoeringsorgaan ZUS verstrekt E205 formulier verplicht verzekerd gebleven tot 1 april 1983. In september 1983 heeft appellante zich in Nederland gevestigd bij haar echtgenoot. Sindsdien woont zij hier te lande. In 1995 is appellante gescheiden van haar echtgenoot.

1.2.

In december 2012 heeft appellante een aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de AOW ingediend bij de Svb.

1.3.

Bij besluit van 15 april 2013 heeft de Svb aan appellante met ingang van 15 februari 2013 een ouderdomspensioen krachtens de AOW toegekend ter hoogte van 60% van het pensioen voor een alleenstaande. Daarbij is appellante niet verzekerd geacht krachtens de AOW van
15 februari 1963 tot 1 april 1983.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 17 juli 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante, gedurende het tijdvak van 15 december 1981 tot 1 april 1983, toen haar echtgenoot in Nederland verzekerd was ingevolge de AOW, in Polen verzekerd was ingevolge de Poolse wettelijke regeling, zodat dit tijdvak op grond van Bijlage XI bij Verordening EG nr. 883/2004 (Vo 883/2004) niet als verzekerd tijdvak in aanmerking kan worden genomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is namens appellante wederom aangevoerd dat het bestreden besluit is gebaseerd op foutieve informatie van het Poolse uitvoeringsorgaan. Appellante meent dat de Svb bij het Poolse orgaan had moeten navragen of wel de juiste informatie is verstrekt. Tijdens de zitting is nader toegelicht dat appellante van mening is dat het Poolse pensioen moet worden aangemerkt als een bedrijfspensioen en niet als een wettelijk pensioen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat appellante gedurende het tijdvak van 15 december 1981 tot 1 april 1983 niet aangemerkt kan worden als verzekerd krachtens op de AOW op grond van Bijlage XI bij Vo 883/2004.

4.2.

In artikel 2, sub d en e, van Bijlage XI, Nederland, bij Vo 883/2004 is het volgende bepaald:

“d) De korting als bedoeld in artikel 13, lid 2, van de AOW wordt niet toegepast op kalenderjaren vóór 2 augustus 1989 gedurende welke de echtgenoot van een pensioengerechtigde tussen zijn 15e en 65e jaar, wonende in een andere lidstaat dan Nederland, niet ingevolge bovengenoemde wet verzekerd was, voor zover deze kalenderjaren samenvallen met tijdvakken van verzekering die de pensioengerechtigde onder die wet heeft vervuld, of met kalenderjaren die op grond van punt 2 a), in aanmerking moeten worden genomen, op voorwaarde dat zij in de betreffende periode gehuwd zijn gebleven.

e) De punten 2 a), b), c) en d) zijn niet van toepassing op tijdvakken die samenvallen met:

- tijdvakken die in aanmerking genomen kunnen worden voor de berekening van pensioenrechten uit hoofde van de ouderdomspensioenwetgeving van een andere lidstaat dan Nederland, of

- tijdvakken waarvoor de betrokkene een ouderdomspensioen heeft ontvangen uit hoofde van dergelijke wetgeving.

Tijdvakken van vrijwillige verzekering onder het stelsel van een andere lidstaat worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van deze bepaling.”

4.3.

Op grond van de informatie verstrekt door het Poolse orgaan kan slechts geconcludeerd worden dat appellante gedurende het tijdvak van 15 december 1981 tot 1 april 1983 in Polen verplicht verzekerd is geweest ingevolge de Poolse wetgeving. Dit betekent dat de Svb terecht heeft besloten op dit tijdvak, op grond van artikel 2, sub d en e, van Bijlage XI, Nederland, bij Vo 883/2004, wel de korting als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de AOW toe te passen. Voor een nader onderzoek naar de aard van de verzekerde tijdvakken, als namens appellante verzocht, bestaat geen aanleiding, nu door appellante geen gegevens zijn aangedragen die erop zouden kunnen wijzen dat het Poolse orgaan hierover onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. Het enkele feit dat in Polen gedurende genoemd tijdvak (mogelijk) geen geprivatiseerde (bedrijfs)pensioenen bestonden, kan er niet aan afdoen dat sprake is geweest van een verzekering op grond van de toen geldende Poolse wettelijke regeling voor ouderdomspensioen. Verder is niet gebleken dat sprake is geweest van een vrijwillige verzekering in Polen.

4.4.

Uit wat hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en L. Koper en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2016.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) J.W.L. van der Loo

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

SS