Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
16/3788 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid Raad. De Raad is op grond van art. 3 van Bijlage 2 van de Awb bevoegd om in eerste en enige aanleg te oordelen over beroepen tegen besluiten of andere handelingen, genomen op grond van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

1) Schriftelijke berisping wegens plichtsverzuim bestaande uit het uploaden van het evaluatieformulier naar portfolio, zonder te vermelden dat appellante haar eigen opmerkingen aan het verslag had toegevoegd. Onder de gegeven omstandigheden kan de handelwijze van appellante, hoewel deze uit een oogpunt van zorgvuldige communicatie niet correct was, niet worden bestempeld als plichtsverzuim.

2) Tussentijdse beoordeling. De tussenbeoordeling van appellante met het judicium ‘onvoldoende’ berust op voldoende gronden.

3) Beëindiging van de opleiding. Bij een beoordeling met het judicium ‘onvoldoende’ wordt de opleiding niet verlengd. De omstandigheden waarin appellante verkeerde, waren niet zo bijzonder dat die noopten tot verlenging van de opleidingsduur met toepassing van de hardheidsclausule.

4) Ontslag. Appellante had geen aanstelling in vaste dienst. Het aanstellingsbesluit is hierbij bepalend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/214

Uitspraak

16/3788 AW, 16/4305 AW, 16/4306 AW, 16/5166 AW

Datum uitspraak: 13 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in de gedingen tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het bestuur van de rechtbank Gelderland (bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld en bezwaren gemaakt tegen de hierna te vermelden besluiten. Wat de bezwaren betreft heeft het bestuur ingestemd met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de bezwaarschriften doorgezonden naar de Raad.

Het bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. I.L. Gerrits, advocaat. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W. van Putten-de Waard, mr. M.J. Blaisse en

E. van den Hoorn.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was vanaf 1 april 2004 werkzaam bij de [naam afdeling] van het [naam werkgever] , laatstelijk als [naam functie A] . Met ingang van 1 april 2014 is appellante op haar verzoek ontslag verleend. Aansluitend is zij met toepassing van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) voor de duur van vier jaar in tijdelijke dienst aangesteld als rechter in opleiding ( rio ) bij de [werkgever B] . Bij koninklijk besluit is zij per [datum] 2014 benoemd tot

rechter-plaatsvervanger .

1.2.

In het kader van haar rio -opleiding was appellante van 1 april 2014 tot 1 oktober 2015 werkzaam in de leerwerkomgeving (LWO) Civiel (handel) op de locatie [woonplaats] van de rechtbank. Na de voorfase is zij vanaf 1 juli 2014 begeleid door de praktijkopleiders (opleiders) S en V. In januari 2015 is een tussenbeoordeling opgemaakt van het functioneren van appellante over de eerste zes maanden van 2015, met als judicium ‘voldoende’. In maart 2015 heeft appellante te kennen gegeven dat de omstandigheden waaronder de opleiding plaatsvindt een optimale en plezierige werkomgeving in de weg staan. Dit heeft ertoe geleid dat aan appellante met ingang van april 2015 twee andere opleiders, H en B, zijn toegewezen. S en V bleven wel betrokken bij de evaluatie over het eerste kwartaal van 2015.

1.3.

Bij e-mail van 2 juli 2015 hebben H en B aan de opleidingscoördinator, de afdelingsvoorzitter en de president van de rechtbank meegedeeld dat het vertrouwen in een goede samenwerking en voortzetting van de opleiding van appellante ontbreekt en dat zij hun taak als opleider neerleggen. De directe aanleiding hiervoor was dat appellante buiten medeweten van H en B een wijziging had aangebracht in het verslag van de evaluatie van juni 2015. Verder speelde een rol dat appellante de kernopleider en de opleidingscoördinator vertelde dat het goed gaat met haar opleiding, terwijl H en B meermalen tegen haar hadden gezegd dat haar analytisch vermogen onvoldoende is en dat het ‘twee voor twaalf’ is. Een bijkomende omstandigheid was dat appellante op het evaluatieformulier van april 2015 opmerkingen had toegevoegd zonder S en V daarvan op de hoogte te stellen. Na een gesprek over de ontstane situatie, waarbij onder meer H en B en appellante aanwezig waren, heeft het bestuur haar met onmiddellijke ingang vrijgesteld van haar werkzaamheden en de opleiding stilgelegd. Met ingang van 17 augustus 2015 heeft appellante haar opleiding in de LWO Civiel vervolgd op de locatie [locatie] van de rechtbank.
1.4. Op verzoek van het bestuur heeft H, senior rechter bij de rechtbank Oost-Brabant, een onderzoek verricht naar de ontstane vertrouwensbreuk, gericht op de vraag of appellante zich onjuist heeft gedragen. H heeft schriftelijke informatie ontvangen en betrokkenen gehoord. De conclusie van H is dat het zonder overleg aanpassen van het verslag van de evaluatie van

14 april 2015 plichtsverzuim oplevert, maar dat appellante zich bij het aanpassen van het verslag van de evaluatie van 9 juni 2015 in het licht van alle omstandigheden niet onjuist heeft gedragen.

1.5.

Nadat het bestuur het voornemen daartoe kenbaar had gemaakt en appellante daarop haar zienswijze had gegeven, heeft het bestuur bij besluit van 11 september 2015 appellante wegens plichtsverzuim met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder a, van het ARAR de disciplinaire maatregel van een schriftelijke berisping opgelegd. Appellante wordt verweten dat zij het verslag van een evaluatiegesprek van 14 april 2015, dat al digitaal was ondertekend door haar opleiders, heeft aangevuld zonder dit aan de opleiders te melden. Appellante heeft weliswaar bij e-mail van 22 juni 2015 aan haar opleiders gemeld dat zij het evaluatieformulier had geüpload naar haar portfolio, maar heeft daarbij nagelaten te vermelden dat zij haar eigen opmerkingen aan het verslag had toegevoegd. Hierdoor heeft appellante volgens het bestuur de opleiders de mogelijkheid onthouden kennis te nemen van de aanvullingen, daarover met appellante te spreken en zich daarover een oordeel te vormen. Zij heeft niet gehandeld zoals van een goed ambtenaar mag worden verwacht, met name niet gezien haar functie van rio .

1.6.

Bij besluit van 9 maart 2016 (besluit 1) heeft het bestuur het bezwaar tegen het besluit van 11 september 2015 ongegrond verklaard.

1.7.

Appellante heeft haar opleiding met ingang van 1 oktober 2015 voortgezet in de LWO Bestuur bij de rechtbank Overijssel, locatie [locatie 2] . Daartoe is zij gedetacheerd bij die rechtbank. In deze LWO is het accent op schrijven gelegd.

1.8.

Op 15 april 2016 heeft de beoordelingscommissie op basis van het portfolio van appellante een tussenbeoordeling opgemaakt van haar functioneren over de periode van

1 januari 2014 tot 1 april 2016. Het judicium van deze beoordeling was ‘onvoldoende’. Na het voornemen daartoe, waarover appellante schriftelijk en mondeling haar zienswijze heeft gegeven, heeft het bestuur bij besluit van 27 mei 2016 (besluit 2) de beoordeling, met de hierna onder 3.6 te bespreken aanvulling, overgenomen en vastgesteld.

1.9.

In verband met deze beoordeling heeft het bestuur bij besluit van 3 juni 2016 (besluit 3) de opleiding van appellante per direct beëindigd.

1.10.

Voorts heeft het bestuur, na daartoe het voornemen te hebben geuit waarop appellante haar zienswijze heeft gegeven, appellante bij besluit van 22 juni 2016 (besluit 4) met ingang van 15 september 2016 ontslag verleend uit haar functie als rio bij de rechtbank, primair op grond van artikel 95, tweede lid, van het ARAR wegens de beëindiging van de opleiding en subsidiair op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR, wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de functie anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

2. Appellante heeft de besluiten 1 tot en met 4 op de hierna te bespreken gronden bestreden. Het bestuur heeft ongegrondverklaring van de ingestelde beroepen bepleit.

3. De Raad komt naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

Bevoegdheid

3.1.1.

De Raad is op grond van art. 3 van Bijlage 2 van de Awb bevoegd om in eerste en enige aanleg te oordelen over beroepen tegen besluiten of andere handelingen, genomen op grond van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, waarbij een rechterlijke ambtenaar als zodanig of een rechterlijk ambtenaar in opleiding (raio) als zodanig belanghebbende is.

3.1.2.

In 2014 is de rechtspraak gestart met een nieuw stelsel van initiële opleidingen tot rechter en officier van justitie, dat in de plaats komt van de tot dan toe bestaande opleiding voor raio’s. Ter overbrugging van de periode die gemoeid is met het wijzigen van de wet- en regelgeving in verband met de invoering van de nieuwe opleiding zijn in het arbeidsvoorwaardenoverleg afspraken gemaakt over de rechtspositie van rio ’s en officieren van justitie in opleiding (oio’s). Die afspraken zijn laatstelijk neergelegd in een circulaire van 8 december 2015 en houden onder meer in dat rio ’s en oio’s die in die periode starten met hun opleiding een tijdelijke aanstelling op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van het ARAR krijgen.

3.1.3.

De Wet van 2 december 2015, Stb. 2015, 456 voorziet in een wijziging van onder meer de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) en de Awb; daarmee wordt de bevoegdheid van de Raad in eerste en enige aanleg ten aanzien van rio ’s en oio’s geregeld. Hoewel deze wet nog niet in werking is getreden, ziet de Raad gelet op het oogmerk van de wetgever om de (nieuwe) rio ’s en oio’s, net als voorheen de raio’s, onder de in 3.1.1 vermelde rechtsgang te brengen, voldoende grond om zich bevoegd te achten om op de beroepen van appellante tegen besluiten op grond van het ARAR te beslissen. In dit verband verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 2 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2116, en van 23 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2390, waarin hij zich bevoegd heeft geacht te oordelen over beroepen van raio’s tegen besluiten op grond van de Wet RO en het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren.

De berisping (besluit 1, 16/3788 AW)

3.2.1.

Op 3 juni 2015 heeft de Raad voor de rechtspraak het Beoordelingsreglement initiële opleiding tot rechter en raadsheer (reglement) vastgesteld. Op grond van artikel 15, eerste lid, van het reglement, zoals dat met ingang van 1 mei 2016 luidde, wordt elke drie maanden een evaluatieverslag (verslag) opgemaakt door de opleider, de kernopleider en de rio gezamenlijk. Volgens het derde lid komt het verslag tot stand nadat de opleider en de kernopleider ieder voor zich een evaluatieformulier hebben ingevuld, dat zij met elkaar delen en vervolgens tijdens het evaluatiegesprek met de rio bespreken. De rio brengt voor het evaluatiegesprek naar keuze een ‘foto’ of een evaluatieformulier in. Op grond van het vierde lid is het resultaat van het evaluatiegesprek een door de opleiders gezamenlijk opgemaakt verslag op een evaluatieformulier waarop de rio zijn zienswijze geeft. In het verslag wordt de ontwikkeling van de rio in alle competenties en juridische kennis beschreven.

3.2.2.

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat appellante op basis van een op 14 april 2015 met S en V gehouden evaluatiegesprek een conceptverslag heeft opgesteld en dit heeft toegezonden aan S en V. V heeft de vragen en opmerkingen van appellante bij het verslag met appellante besproken en overleg gevoerd met S. Appellante heeft de suggestie van V om de opmerkingen van appellante in een tweede verslag neer te leggen en beide verslagen te uploaden aan kernopleider MS voorgelegd, waarna MS zijn voorkeur heeft uitgesproken voor het uploaden van één formulier, met eventueel de opmerkingen van de rio in het daarvoor bestemde gedeelte aan het slot van het formulier. Vervolgens heeft V het formulier na aanpassing en digitale ondertekening door haar en S met een cc aan appellante naar S gestuurd, onder de vermelding dat dit het definitieve verslag is. Appellante heeft opmerkingen aan dit verslag toegevoegd en bij e-mail van 22 juni 2015 aan V en S meegedeeld dat zij het verslag heeft geüpload.

3.2.3.

Appellante heeft niet betwist dat zij V en S er niet van op de hoogte heeft gesteld dat zij aan het evaluatieformulier op diverse plaatsen onder het kopje ‘opm. rio ’ opmerkingen heeft toegevoegd, maar zij heeft wel bestreden dat deze gedraging als plichtsverzuim is aan te merken.

3.2.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat aan appellante op grond van artikel 15 van het reglement het recht toekwam om haar zienswijze te geven op het verslag van de evaluatie. Die zienswijze is samen met het verslag van de opleiders bedoeld als informatie voor de beoordelingscommissie bij het opmaken van een tussen- dan wel een eindbeoordeling. Anders dan in het besluit van 11 september 2015 is vermeld, hoefden de opleiders zich dus geen oordeel te vormen over deze opmerkingen. Ook kon door het toevoegen van opmerkingen door appellante geen verkeerd beeld ontstaan over de stand van zaken van de opleiding. Het bestuur heeft een en ander niet onderkend. Appellante heeft over haar wens om opmerkingen bij het verslag te plaatsen overleg gepleegd met MS, en heeft niet in strijd met het reglement gehandeld door V en S niet mee te delen dat zij aan het door hen ondertekende verslag haar zienswijze had toegevoegd. Onder de gegeven omstandigheden kan de handelwijze van appellante, hoewel deze uit een oogpunt van zorgvuldige communicatie niet correct was, niet worden bestempeld als plichtsverzuim. Bij dit oordeel is in aanmerking genomen dat de evaluatieprocedure begin 2015 voor alle betrokkenen nog nieuw was.

3.3.

Gelet op 3.2.1 tot en met 3.2.4 was het bestuur niet bevoegd appellante een disciplinaire maatregel op te leggen. Het beroep tegen besluit 1 slaagt, zodat dat besluit moet worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het besluit van 11 september 2015 herroepen.

De tussentijdse beoordeling (besluit 2, 16/4305 AW)

3.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2803) is de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. Niet doorslaggevend is dan of elk feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.

3.5.

Op grond van artikel 8, zevende lid, van het reglement moet bij de eindbeoordeling minimaal 70% worden behaald ten opzichte van de maximale score op de van toepassing zijnde beoordelingscriteria. Bij een tussentijdse beoordeling wordt op grond van het negende lid van het reglement een cesuur bepaald volgens een in dat artikellid vermelde formule. Volgens het tiende lid van artikel 8 leidt een tussentijdse beoordeling met een totaalscore die ligt onder een marge van 5% onder de cesuur altijd tot een judicium ‘onvoldoende’. Op grond van het vierde in verbinding met het vijfde lid van artikel 8 wordt het judicium ‘onvoldoende’ eveneens toegekend, indien niet alle kritische beoordelingscriteria met een ‘voldoende‘ of hoger zijn gewaardeerd, tenzij het gaat om één van de in het vijfde lid genoemde criteria en nog minimaal één jaar opleidingstijd resteert. Deze criteria mogen met een ‘zwak’ zijn gewaardeerd.

3.6.

In het geval van appellante is de cesuur berekend op (afgerond) 58%. Appellante heeft een totaalscore van 53% behaald. Op twee kritische beoordelingscriteria, B-1-g (proces-verbaal opmaken) en D-II-d (snel juridische kennis eigen maken), heeft zij een ‘zwak’ gescoord. Zoals blijkt uit besluit 2, heeft het bestuur het functioneren van appellante op twee andere, door de beoordelingscommissie niet beoordeelde kritische beoordelingscriteria, namelijk D-I-a (integriteit) en E-III-a (zelfinzicht), wel beoordeeld met als waardering een ‘onvoldoende’. Op geen van deze criteria is in deze fase van de opleiding een score ‘zwak’ toegestaan.

3.7.1.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de scores ‘zwak’ op de kritische criteria B-1-g en D-II-d. De Raad stelt vast dat de onder B-I-g beoordeelde verrichting in de LWO Bestuur niet voorkomt. Daardoor was het tekortschieten van appellante op dit punt in de LWO Civiel bepalend voor de score. Het bestuur heeft niet gemotiveerd waarom zij het functioneren van appellante op dit kritische punt in navolging van de beoordelingscommissie heeft beoordeeld en van de score ‘zwak’ heeft voorzien. Door dit criterium in de beoordeling te betrekken was het judicium ‘voldoende’ achteraf bezien al bij de start van appellante in de LWO Bestuur buiten haar bereik.

3.7.2.

Het bestuur heeft de waardering van het functioneren van appellante op het criterium

D-I-a gebaseerd op de gedragingen die hebben geleid tot de hiervoor besproken berisping, welke gedragingen volgens het bestuur raken aan de integriteit van appellante. Gezien het onder 3.3 gegeven oordeel berust de beoordeling op dit onderdeel niet op een deugdelijke motivering. Aan de score op het criterium E-III-a heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat appellante onvoldoende heeft laten zien dat zij aandacht heeft voor haar eigen verantwoordelijkheid voor haar functioneren als rio en voor haar eigen rol in het verloop van de opleiding. Dit standpunt is gebaseerd op de opstelling van appellante in de gesprekken met de beoordelingscommissie en in haar bedenkingen, waarbij zij de oorzaak van haar onvoldoende beoordeling bijna volledig bij het opleidingsklimaat en de opleiders legt. Daarmee heeft het bestuur deze score voldoende onderbouwd.

3.7.3.

Hoewel het functioneren van appellante op het criterium D-II-d in de LWO Bestuur blijkens het evaluatieformulier in positieve zin opviel, heeft de beoordelingscommissie het onvoldoende functioneren bij de LWO Civiel op dit punt zwaarder laten wegen en op dit punt de score ‘zwak’ gegeven. Daarbij hebben zowel de lange duur van de opleiding in de LWO Civiel (vijftien maanden) als de voorervaring van appellante bij Civiel een rol gespeeld. Hoewel appellante, anders dan de beoordelingscommissie heeft aangenomen, bij het Hof bij de [naam afdeling] werkzaam was en dus geen voorervaring op het gebied van handel had, berust de eindscore ‘zwak’ op dit criterium op voldoende grondslag.

3.8.

Wat onder 3.7.1 tot en met 3.7.3 is overwogen betekent dat op ten minste één kritisch beoordelingscriterium geen voldoende is behaald. Op grond van artikel 8, vierde lid, van het reglement leidt dit al tot het judicium ‘onvoldoende’. Daar komt bij dat de totaalscore, ook indien criterium B-1-g niet zou zijn beoordeeld en de score op het criterium D-1-a een voldoende zou zijn, op 54% en dus op een onvoldoende zou zijn uitgekomen. De conclusie is dat de tussenbeoordeling van appellante met het judicium ‘onvoldoende’ op voldoende gronden berust.

3.9.

Wat appellante heeft aangevoerd over de omstandigheden waaronder zij de rio -opleiding in de LWO Civiel heeft moeten volgen, kan niet tot een ander oordeel over de beoordeling leiden. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK7315) kunnen belastende omstandigheden waaronder de ambtenaar zijn werk heeft moeten uitvoeren hooguit invloed hebben op de aan de beoordeling te verbinden rechtspositionele gevolgen, maar kunnen zij niet leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren gerechtvaardigd is.

3.10.

Het beroep tegen besluit 2 slaagt niet.

De beëindiging van de opleiding (besluit 3, 16/5306 AW)

3.11.

Op grond van artikel 9, derde lid, van het reglement, gelezen in samenhang met de daarbij behorende toelichting, wordt bij een beoordeling met het judicium ‘onvoldoende’ de opleiding niet verlengd. In geval van specifieke omstandigheden als ziekte, zwangerschap of ouderschapsverlof of wanneer de rio aan het eind van de opleiding nog niet geheel aan de eindtermen voldoet door objectiveerbare omstandigheden die de ontwikkeling van de rio hebben verstoord, kan het bestuur met toepassing van de hardheidsclausule besluiten tot verlenging van de opleiding.

3.12.

Volgens appellante had het bestuur in haar geval de hardheidsclausule moeten toepassen. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat zij de LWO Civiel in [woonplaats] als onveilig en soms als vijandig heeft ervaren, dat haar begeleiding tekort is geschoten, dat de opleiders H en B vooringenomen waren en dat haar functioneren in negatieve zin is beïnvloed door de beschuldiging van fraude en plichtsverzuim. Na de vertrouwensbreuk heeft het bestuur volgens appellante op haar ontslag aangestuurd. Als gevolg van de gebeurtenissen is haar zelfvertrouwen zo aangetast dat zij niet naar beste kunnen kon presteren.

3.13.

Aan appellante moet worden toegegeven dat haar opleiding in de LWO Civiel niet zonder complicaties is verlopen. Zij heeft tweemaal andere opleiders gekregen, de eerste keer op initiatief van haarzelf en de tweede keer omdat de opleiders hun taak hebben neergelegd. Als gevolg van de tweede wisseling van opleiders heeft appellante de laatste zes weken op een andere locatie moeten werken. In die periode is zij geconfronteerd met de vertrouwensbreuk met opleiders H en B en met een disciplinair traject waarbij haar integriteit in twijfel is getrokken, en met een - achteraf ten onrechte opgelegde - disciplinaire maatregel. Deze gebeurtenissen zullen appellante ongetwijfeld hebben geraakt en haar welbevinden hebben beïnvloed. Daar staat tegenover dat een rio in staat moet worden geacht om zich ook onder moeilijke omstandigheden te ontwikkelen tot het niveau van een beginnende rechter. Omdat appellante het einde van haar opleiding nog niet had bereikt, deed zich niet de situatie voor dat zij aan het eind van de rit nog niet helemaal aan de eindtermen voldeed. Los hiervan heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat haar opleiding tekortkomingen heeft vertoond, dat het bestuur - afgezien van de disciplinaire maatregel - niet adequaat heeft gereageerd op de ontwikkelingen tijdens haar opleiding of dat de opleiders tekort zijn geschoten in hun taak om haar te begeleiden.

3.14.

Gelet op het voorgaande heeft het bestuur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheden waarin appellante verkeerde niet zo bijzonder waren dat die noopten tot verlenging van de opleidingsduur met toepassing van de hardheidsclausule. Het beroep tegen besluit 3 slaagt niet.

Het ontslag (besluit 4, 16/5166 AW)

3.15.

Het betoog van appellante dat zij een aanstelling in vaste dienst had bij de rechtbank treft geen doel. Zoals blijkt uit de ‘Arbeidsvoorwaardenbrief’ van 31 januari 2014, is appellante aangesteld in tijdelijke dienst van de rechtbank met toepassing van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van het ARAR. Dat op haar personeelskaart staat dat zij een vast dienstverband heeft, en dat het technisch niet mogelijk is gebleken om de wijziging van haar vaste aanstelling in een tijdelijke aanstelling in het P-Direkt-portaal te verwerken, maakt dat niet anders. Het aanstellingsbesluit is bepalend.

3.16.

De overige beroepsgronden tegen het ontslag hebben betrekking op de daaraan voorafgaande besluiten 1, 2 en 3 en kunnen besluit 4 niet aantasten.

3.17.

De aan het ontslag subsidiair ten grondslag gelegde grond en de daartegen aangevoerde beroepsgronden blijven gelet op 3.16 buiten bespreking. Het beroep tegen besluit 4 slaagt niet.


Slotoverweging

4. Er is aanleiding om het bestuur te veroordelen in de (proces)kosten die appellante in bezwaar en beroep heeft gemaakt. Die worden begroot op € 992,- in bezwaar en op € 496,- in beroep wegens verleende rechtsbijstand en op € 30,60 aan reiskosten in beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 maart 2016 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 11 september 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde besluit;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 27 mei 2016, 3 juni 2016 en 22 juni 2016

ongegrond;

- bepaalt dat het bestuur aan appellante het betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt;

- veroordeelt het bestuur in de (proces)kosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.518,60.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) L.V. van Donk

HD