Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3857

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
15/7630 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. De melding van de hoofdbewoners dat appellante medebewoner van het brp-adres is heeft – in ieder geval – directe invloed gehad op het vaststellen van de hoogte van de bijstandsuitkering van de hoofdbewoners. Het standpunt van de minister dat het aannemelijk is dat appellante niet op het brp-adres woonde is niet houdbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/201

Uitspraak

15/7630 WSF

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
12 oktober 2015, 15/2552 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Wortel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.


De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wortel. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. E.H.A. van den Berg.

De Raad heeft het onderzoek heropend om nadere informatie in te winnen bij de minister. De minister heeft de gevraagde informatie verstrekt.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.1.

Appellante stond vanaf 1 november 2010 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) onder het adres [Adres] te [woonplaats]. Onder dit adres staan tevens ingeschreven appellantes zus en haar man, die de hoofdbewoners zijn, en hun drie kinderen.

1.1.2.

De minister heeft, voor zover hier van belang, voor de jaren 2012, 2013 en 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellante toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

Op 23 november 2014 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellante op dat moment in de brp stond ingeschreven om te controleren of zij op dat adres woonde. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan, eerst in het bijzijn van de hoofdbewoonster, later ook in het bijzijn van appellante. Daarnaast is een verklaring van de hoofdbewoonster en appellante opgenomen. Van het onderzoek is op 13 december 2014 een rapport opgemaakt. Bij het rapport is de verklaring van de hoofdbewoonster en appellante gevoegd. In dit rapport zijn de controleurs tot de conclusie gekomen dat appellante niet op het brp-adres woonde. Naar de opvatting van de controleurs waren – samengevat – onvoldoende sporen van bewoning door appellante aanwezig.

1.3.

De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van het onder 1.2 weergegeven rapport bij besluit van 19 december 2014 de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 januari 2012 herzien in die zin dat appellante vanaf die datum is aangemerkt als thuiswonende studerende. Het aan appellante over de periode van januari 2012 tot en met december 2014 te veel betaalde bedrag van € 7.023,84 is daarbij van haar teruggevorderd. Dit besluit is gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 8 april 2015 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de minister met het rapport van de controleurs van 13 december 2014 aannemelijk gemaakt dat appellante niet op het brp-adres woonde. Naar het oordeel van de rechtbank is op het brp-adres te weinig aangetroffen om aan te nemen dat appellante daar woonde. Er is niets persoonlijks van appellante aangetroffen en de verklaringen van appellante en de hoofdbewoonster betreffende de kleding van appellante zijn tegenstrijdig. Verder acht de rechtbank het niet aannemelijk dat op de plek waar appellante stelt te wonen geen enkel stuk (studieboeken, readers, papers, kladbokken) is aangetroffen dat in verband kan worden gebracht met haar opleiding.

3. Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het rapport een voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van de minister dat zij niet op het brp-adres woonde. Appellante stelt dat het onderzoek naar haar feitelijke
woon- en leefsituatie onvoldoende zorgvuldig is verricht. Voorts heeft appellante erop gewezen dat de hoofdbewoners haar bij de gemeente en bij de belastingdienst hebben gemeld als een medebewoner van het brp-adres. Door hiervan melding te doen, zijn de hoofdbewoners aanzienlijk veel geld misgelopen. Zij zijn gekort zowel op hun huurtoeslag als op hun bijstandsuitkering. Appellante heeft haar betoog met stukken onderbouwd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.

4.1.2.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de brp staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de brp staat of staan ingeschreven.

4.1.3.

De vraag waar een studerende woont als bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000 moet worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.2.

Uitgangspunt bij een belastend besluit, zoals een hier aan de orde zijnde herziening, is dat de bewijslast in eerste instantie op het bestuursorgaan rust. De minister moet aannemelijk maken dat de studerende niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000.

4.3.

Uit de door appellante in hoger beroep overgelegde stukken is gebleken dat de hoofdbewoners zowel bij de gemeente in 2013, in het kader van een aanvraag om bijstand, als bij de belastingdienst in 2013, 2014 en 2015, in het kader van een aanvraag om huurtoeslag, appellante hebben gemeld als een medebewoner van het brp-adres. Deze melding heeft – in ieder geval – directe invloed gehad op het vaststellen van de hoogte van de bijstandsuitkering van de hoofdbewoners. In verband met de inwoning van appellante is hun bijstandsuitkering met 10% verlaagd. Gelet op de gevolgen die de inwoning van appellante heeft gehad voor – in ieder geval – de bijstandsuitkering van de hoofdbewoners en mogelijk ook hun huurtoeslag, acht de Raad het niet aannemelijk dat de hoofdbewoners appellante consequent, zowel in de periode vóór als ná het huisbezoek op 23 november 2014, zouden hebben gemeld als een medebewoner van het brp-adres, als zij daar niet feitelijk woonachtig was. Gelet hierop, en op de omstandigheid dat wat is vermeld in het in 1.2 genoemde rapport wel vragen oproept over de woonsituatie van appellante, maar ook niet kennelijk duidelijk uitsluit dat appellante op het brp-adres woonde, moet worden geoordeeld dat het standpunt van de minister dat het aannemelijk is dat appellante niet op het brp-adres woonde niet houdbaar is. Dit betekent dat de herziening van de aan appellante toegekende studiefinanciering niet in stand kan blijven.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellante slaagt en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Omdat de herziening over de periode in geding geen stand kan houden en herstel niet tot de mogelijkheden behoort, zal de Raad ter definitieve beslechting van het geschil ook het besluit van 19 december 2014 herroepen.

5. Er is aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand. De proceskosten van appellante in beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu appellante eerst in hoger beroep de stukken heeft overgelegd die tot vernietiging van het bestreden besluit hebben geleid.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 8 april 2015;

  • -

    herroept het besluit van 19 december 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 8 april 2015;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 992,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van € 123,-.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2016.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.W.L. van der Loo

SS