Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3839

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
15-5751 ZW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Aanvraag uitkering op grond van de ZW tijdens detentie. Het Uwv heeft inzichtelijk gemotiveerd dat werknemer per 15 maart 2013 terecht is ziek gemeld. Hersteldmelding 17 maart 2013 is niet gebaseerd op enig medisch onderzoek en zonder kennis van de stoornissen van werknemer zoals genoemd. Besluit II is onvoldoende gemotiveerd. Uwv opgedragen het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1037

Uitspraak

15/5751 ZW-T

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant van 8 juli 2015, 14/3126 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam] (werknemer)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.S. Sahtoe hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft, onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat kennisname van medische gegevens van belanghebbende uitsluitend is toegestaan aan een gemachtigde die advocaat of arts is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016. Namens appellante was aanwezig E.M. Stovers, bijgestaan door mr. Sahtoe. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk. Belanghebbende en zijn gemachtigde
mr. F. Reith zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Werknemer is op 1 augustus 1985 in dienst getreden bij appellante, waar hij laatstelijk werkzaam was in de functie van bedrijfsleider. Op 13 maart 2013 is werknemer, na aanhouding door de politie op zijn werk, in voorlopige hechtenis genomen. Op 15 maart 2013 heeft appellante werknemer op non-actief gesteld. Op diezelfde datum is werknemer door zijn echtgenote ziek gemeld. Op 18 maart 2013 heeft appellante werknemer op staande voet ontslagen.

1.2.

Tijdens zijn detentie heeft werknemer op 27 augustus 2013 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aangevraagd. Bij besluit van 15 oktober 2013 heeft het Uwv aan werknemer meegedeeld dat hij geen recht heeft op een ZW-uitkering omdat hij gedetineerd is. Bij besluit van 5 november 2013 heeft het Uwv geweigerd aan werknemer een voorschot op grond van de ZW te verstrekken omdat hij zijn ontslag heeft aangevochten en er dus nog onduidelijkheid bestaat over de doorbetaling van het loon. Zodra deze onduidelijkheid is weggenomen, zal het Uwv de beoordeling van het recht op een ZW-uitkering hervatten. Bij besluit van
19 december 2013 heeft het Uwv betaling van ziekengeld geweigerd op de grond dat werknemer onnodig een beroep doet op de ZW. Als hij geen ontslag op staande voet had gekregen, had hij nog loon ontvangen van appellante. Werknemer heeft tegen voornoemde besluiten bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 2 april 2014 (bestreden besluit I) heeft het Uwv de bezwaren van werknemer tegen de besluiten van 15 oktober 2013 en 5 november 2013 ongegrond verklaard. Het bezwaar van werknemer tegen het besluit van 19 december 2013 heeft het Uwv gegrond verklaard. Volgens het Uwv is de wijze waarop werknemer gehandeld heeft in het kader van de ZW niet verwijtbaar. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag is vastgesteld op
29 januari 2013. Van 18 maart 2013 tot 13 april 2013 heeft werknemer recht op een
ZW-uitkering. Van 13 april 2013 tot 11 oktober 2013 bestaat geen recht op ziekengeld vanwege detentie. Vanaf 11 oktober 2013 (de dag dat werknemer in vrijheid is gesteld) bestaat er volgens het Uwv weer recht op ziekengeld.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit I. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het Uwv op 24 december 2014 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit II), in die zin dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van werknemer is vastgesteld op 15 maart 2013 en is bepaald dat werknemer vanaf
11 oktober 2013 recht heeft op een ZW-uitkering. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard wegens verlies van procesbelang, het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante en bepaald dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank heeft het beroep van appellante dat met toepassing van artikel 6:19 van de Awb mede gericht wordt geacht tegen bestreden besluit II, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat werknemer op
15 maart 2013 en daarna ziek was in de zin van de ZW onjuist te achten. De beroepsgrond van appellante daartegen slaagt niet. De beroepsgrond van appellante dat op 11 oktober 2013 geen recht op een ZW-uitkering kon bestaan, omdat werknemer toen niet meer verzekerd was, kan volgens de rechtbank ook niet slagen. Uit artikel 19b, tweede lid, van de ZW vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat een werknemer bij het einde van de detentie weer als verzekerde word aangemerkt als hij aan de overige voorwaarden, bedoelt in de artikelen 19 en 19aa van de ZW, voldoet.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat er bij werknemer geen sprake was van arbeidsongeschiktheid op 15 maart 2013 dan wel op 11 oktober 2013 als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek en dat ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 19b, tweede lid, van de ZW. Voor zover de arbeidsongeschiktheid wel kan worden aangenomen is appellante van oordeel dat de vaststelling daarvan niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Omdat geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Het Uwv is bij de beoordeling slechts uitgegaan van gegevens die verkregen zijn uit het strafrechtelijk onderzoek.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

In artikel 19b, eerste lid, van de ZW is bepaald dat de verzekerde geen recht op ziekengeld heeft gedurende de periode dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. Indien de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid van de verzekerde is gelegen in een periode dat de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, ontstaat er geen recht op ziekengeld.

In het tweede lid is bepaald dat, indien het recht op ziekengeld op grond van het eerste lid is geëindigd dan wel niet is ontstaan, betrokkene vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld weer als verzekerde wordt aangemerkt, indien hij op die dag aan de overige voorwaarden, bedoeld in de artikelen 19 en 19aa, van de ZW voldoet. Deze verzekerde heeft aanspraak op heropening dan wel toekenning van het recht op ziekengeld voor de resterende periode, bedoeld in artikel 29, vijfde lid, dan wel artikel 29a, vierde lid, van de ZW met inachtneming van de bepalingen van deze wet.

4.3.

In geschillen met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidswetten heeft de Raad herhaaldelijk geoordeeld dat in het geval dat een belanghebbende werkgever de (mate van) arbeidsongeschiktheid van een (ex-)werknemer betwist, de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het Uwv het besluit over die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk motiveert (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:4292 ). Er is geen aanleiding een ZW-geschil als hier aan de orde anders te beoordelen (zie ECLI:NL:CRVB:2016:1415).

4.3.1.

Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt da werknemer vanaf 15 maart 2013, en in ieder geval na de hersteldmelding van 17 maart 2013 niet ziek was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport 19 maart 2014 inzichtelijk gemotiveerd dat werknemer per 15 maart 2013 terecht is ziek gemeld. Uit de weergave in het strafvonnis van de stoornissen van werknemer en de invloed daarvan op zijn gezondheidssituatie in die periode, het vermelde psychologische onderzoek en de eigen onderzoeksbevindingen heeft deze verzekeringsarts terecht de conclusie getrokken dat werknemer vanaf 15 maart 2013 arbeidsongeschikt was te achten. De hersteldmelding van 17 maart 2013 is niet gebaseerd op enig medisch onderzoek en zonder kennis van de stoornissen van werknemer zoals genoemd. Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat werknemer ziek was, toen hij op 18 maart 2013 werd ontslagen, zodat het Uwv kon toekomen aan de beoordeling of werknemer op grond van artikel 19b na zijn detentie per 11 oktober 2013 recht op ziekengeld heeft.

4.3.2.

Het besluit dat werknemer met ingang van 11 oktober 2013 recht heeft op ziekengeld voldoet niet aan de in 4.3 geformuleerde motiveringsplicht. Het rapport van 19 maart 2014 is gericht op beantwoording van de vraag of het gedrag van werknemer dat heeft geleid tot zijn ontslag verwijtbaar is en als een benadelingshandeling moet worden aangemerkt. Op geen enkele wijze blijkt uit het rapport dat de verzekeringsarts mede heeft beoordeeld of werknemer verminderd toerekeningsvatbaar was. Die gegevens kunnen niet zonder meer als motivering dienen voor de vraag of werknemer ook op 11 oktober 2013 nog ziek was. Hoewel appellante uitdrukkelijk heeft aangevoerd dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid op 15 maart 2013 en op 11 oktober 2013, heeft het Uwv in beroep en hoger beroep geen enkele nadere medische onderbouwing gegeven of en waarom werknemer op 11 oktober 2013 als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek niet in staat was tot het verrichten van zijn arbeid. In het licht van de in 4.3 genoemde motiveringsplicht volstaat de verwijzing door het Uwv naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 maart 2014 niet. Dit heeft tot gevolg dat bestreden besluit II onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Met toepassing van artikel 8:51d van de Awb wordt het Uwv opgedragen het gebrek te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op het in overweging 4.4 geconstateerde gebrek te herstellen binnen 10 weken na verzending van deze tussenuitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en J.S. van der Kolk en
E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2016.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) H.J. Dekker

SS