Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3836

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
15/2397 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen, Bewijslast vedeling. Verzwegen bankrekening op naam van appellant. Niet van belang of de inkomsten uit een krantenwijk aan appellant of aan zijn dochter moeten worden toegerekend. Appellant wordt geacht te kunnen beschikken over de bijschrijvingen op de op zijn naam staande bankrekening. Appellant heeft tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2397 WWB

Datum uitspraak: 11 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 februari 2015, 14/1355 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. dr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2016. Appellanten zijn, vergezeld door hun zoon, verschenen, bijgestaan door mr. dr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Hopman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

In het kader van een themacontrole heeft op 30 juli 2013 een gesprek plaatsgevonden met appellanten. Tijdens dat gesprek kwam naar voren dat appellanten nog een bij het college onbekende, op naam van appellant staande ING-betaalrekening met nummer eindigend op [nummer] (bankrekening) hadden, waarop onder andere de zorgtoeslag van appellanten en die van hun in 1989 geboren dochter, [naam dochter] (dochter), werden bijgeschreven. Appellant heeft de bankrekening op 17 december 2005 geopend. Uit de door appellanten over het jaar 2012 overgelegde afschriften kwam naar voren dat op de bankrekening, naast de even genoemde toeslagen, ook maandelijks vergoedingen uit een krantenwijk werden bijgeschreven. De bankrekening werd gebruikt voor betalingen aan onder andere kledingzaken, bouwmarkten, drogisterijen en supermarkten.

1.3.

Bij besluit van 24 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 juni 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 2008 tot 6 oktober 2013 (periode in geding) herzien en de over die periode te veel verleende bijstand tot een netto bedrag van € 23.854,38 van appellanten teruggevorderd. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen opgave te doen van de bankrekening en van de daarop bijgeschreven periodieke inkomsten uit de krantenwijk waarover appellant de beschikking heeft gehad. De maandelijkse inkomsten uit de krantenwijk heeft het college alsnog in mindering gebracht op de aan appellanten verleende bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij betwisten dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden op de grond dat niet appellant maar de dochter de inkomsten uit werkzaamheden als krantenbezorger heeft ontvangen en dat deze inkomsten moeten worden vrijgelaten. Bovendien heeft het college de bewijslast van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte bij appellanten neergelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten geen melding hebben gemaakt van de bankrekening en de bijschrijvingen daarop.

4.2.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van de middelen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. In het verlengde daarvan moeten op grond van vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) de bijschrijvingen en stortingen op een dergelijke rekening behoudens tegenbewijs als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB van de betrokkene worden aangemerkt. Als de stortingen of bijschrijvingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat geen betekenis toekomt aan het antwoord op de vraag die partijen verdeeld houdt, namelijk wie, appellant of zijn dochter, in feite heeft gewerkt als krantenbezorger en aan wie de inkomsten daaruit moeten worden toegerekend. Van doorslaggevende betekenis is immers dat, behoudens tegenbewijs, appellant geacht wordt te kunnen beschikken over de bijschrijvingen op de op zijn naam staande bankrekening. Bovendien worden naar vaste rechtspraak (uitspraak van 12 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1488) periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt - en waarover vrijelijk kan worden beschikt als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt. Daarbij moet betrokken worden dat de dochter in de periode in geding als meerderjarige geen appellanten ten laste komend kind meer was zodat, indien de inkomsten aan haar toe te rekenen zouden zijn, deze inkomsten, anders dan appellanten hebben aangevoerd, gelet op haar leeftijd niet op grond van artikel 31, tweede lid, onder h, van de WWB konden worden vrijgelaten.

4.4.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet kon beschikken over het tegoed op de bankrekening. Dat appellant voor zijn destijds nog minderjarige dochter de bankrekening had geopend zodat daarop haar inkomsten uit de krantenwijk konden worden bijgeschreven en dat de dochter beschikte over de bankpas van deze bankrekening waarmee zij ook daadwerkelijk pinbetalingen heeft gedaan, sluit immers geenszins uit dat appellant gebruik kon maken of gebruik heeft gemaakt van de tegoeden op de bankrekening voor levensonderhoud.

4.5.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.6.

Het gaat in de situatie van appellanten om de op naam van appellant gestelde bankrekening alsmede om regelmatige bijschrijvingen daarop gedurende een aanzienlijke periode. Het had voor appellanten dan ook redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat deze gegevens van financiële aard van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Door geen melding te maken van de bankrekeningen en de bijschrijvingen hebben appellanten de inlichtingenverplichting geschonden. Deze verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij wat de herziening betreft verwijtbaarheid geen rol speelt. Uitsluitend moet worden beoordeeld of appellanten de hier aan de orde zijnde gegevens hadden moeten melden en dit hebben nagelaten. De beroepsgrond dat appellanten gelet op taalproblemen en miscommunicatie in de veronderstelling verkeerden dat zij alleen de bankrekening waarop de bijstand werd overgemaakt hoefden op te geven en hen daarom geen verwijt treft dat zij van de bankrekening en de bijschrijvingen daarop geen melding hebben gemaakt, kan reeds hierom niet slagen.

4.7.

De beroepsgrond dat de bewijslast ten aanzien van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte op appellanten is gelegd, slaagt evenmin. Het bestreden besluit is een belastend besluit zodat de bewijslast dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan op het college rust. Aan deze bewijslast heeft het college, gelet op 4.1 tot en met 4.6, voldaan. Vervolgens is het aan appellanten om aannemelijk te maken dat zij ondanks de schending van de inlichtingenverplichting (aanvullend) recht op bijstand hadden in de te beoordelen periode. De omstandigheid dat appellanten niet aan deze bewijslast kunnen voldoen en dat dit voor hen ingrijpende gevolgen heeft, vormt, anders dan appellanten ter zitting nog hebben bepleit, geen aanleiding om van een andere bewijslastverdeling uit te gaan.

4.8.

Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting is aan appellanten teveel bijstand verleend. Gelet hierop was het college gehouden de bijstand van appellanten over de periode in geding te herzien. Tevens was het college gehouden de teveel betaalde bijstand van appellanten terug te vorderen.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en M. Hillen en J.H.M van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) I.G.A.H. Toma

HD