Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3831

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
14/5505 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten en omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5505 WWB

Datum uitspraak: 11 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 5 augustus 2014, 13/6432 WWB

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik (college)

PROCESVERLOOP

Bij brief van 11 september 2014 heeft verzoeker gevraagd om herziening van de uitspraak van de Raad van 5 augustus 2014.

Het college heeft op dit verzoek om herziening gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.D. Weber.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 november 2013, 13/223, bevestigd. De Raad heeft geoordeeld dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft geacht om kennis te nemen van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van verzoeker tot betaling en het verrichten van andere feitelijke handelingen. Voor de vaststelling welke voorzieningen openstaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is bepalend het antwoord op de vraag welke voorzieningen zouden openstaan, indien een reëel besluit zou zijn genomen. Aangezien het verzoek niet kan leiden tot een besluit in de zin van de Awb kan artikel 6:2 van de Awb er ook niet toe leiden dat het niet tijdig beslissen op dat verzoek gelijk wordt gesteld met zo’n besluit.

3. Verzoeker heeft aan het onderhavige verzoek ten grondslag gelegd dat het bestuursorgaan en de rechter in eerste aanleg en in hoger beroep psychische dwang uitoefenen. Volgens verzoeker zijn herhaaldelijk bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en gronden niet inhoudelijk behandeld. Hierdoor wordt de rechtsgang van verzoeker gefrustreerd. Ook is sprake van onrechtmatige collectieve beleidsvoering. Door verzoeker gemaakte kosten worden genegeerd en niet uitbetaald. Ook is sprake van kapitaalvernietiging door het uitblijven van scholing en re-integratie. Verzoeker heeft verouderde kennis op het gebied van de ICT en heeft vanaf 2002 herhaaldelijk verzocht om ICT-scholing.

4. Wat verzoeker heeft aangevoerd is geen nieuw feit of omstandigheid als bedoeld in

artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, nu hij een en ander ook reeds naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.

5. Uit 1 tot en met 4 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J. Tuit

HD