Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3823

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
14/6850 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

De Raad voorziet zelf en bepaalt dat bij appellante sprake is van blijvende psychische invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld en dat zij met ingang van de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend, recht heeft op de toeslag bedoeld in artikel 19 van de Wubo. Anders dan namens appellante is betoogd bestaat voor een eerdere ingangsdatum geen aanleiding nu niet is gebleken dat verweerder bij de afwijzing van de eerdere aanvraag verwijtbare fouten heeft gemaakt. Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0363

Uitspraak

14/6850 WUBO

Datum uitspraak: 13 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats], Verenigde Staten (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 oktober 2014, kenmerk BZ01686907 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2016. Daar is namens appellante verschenen mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Pieterse en mr. C. Vooijs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren in 1936 in het toenmalig Nederlands-Indië. In oktober 2009 heeft zij verzocht om toekenning van de toeslag, bedoeld in artikel 19 van de Wubo. Bij besluit van 19 februari 2010 is erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Aanvaard is dat zij tijdens de Bersiap-periode geïnterneerd is geweest. De aanvraag is echter afgewezen op de grond dat bij haar geen sprake was van blijvende invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld.

1.2.

In maart 2013 heeft appellante wegens verergering van de psychische klachten opnieuw een aanvraag ingediend. Bij besluit van 10 september 2013, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat bij appellante (ook nu) geen sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1.

Verweerder heeft zijn standpunt in eerste instantie gebaseerd op een door de geneeskundig adviseur R. Loonstein, arts, uitgebracht advies. Dat advies is gebaseerd op het onderzoek dat de psychiater J. Gaines, MD, bij appellante in juli 2013 heeft verricht. Loonstein concludeert dat bij appellante gesproken kan worden van psychopathologie die moet worden toegeschreven aan het oorlogsgeweld. Hij stelt verder vast dat de beperkingen (geringe - milde - beperking in de rubriek stress-adaptie) vanwege de causale psychische klachten niet zodanig zijn dat gesproken kan worden van invaliditeit in de zin van de Wubo.

2.2.

In de bezwaarfase is een rapportage overgelegd van de behandelaar van appellante, psychiater B. Teller, MFT. Het bezwaar is om advies voorgelegd aan de geneeskundig adviseur G.L.G. Kho, arts. Hij heeft geen aanleiding gezien het eerdere advies te wijzigen.

2.3.

In beroep is namens appellante een rapportage overgelegd van de arts F.A.M. van den Brand die appellante op 10 november 2014 heeft onderzocht in het kader van de Algemene oorlogsongevallenregeling (AOR). Dat rapport heeft er toe heeft geleid dat appellante in september 2015 in het kader van de AOR is aangemerkt als oorlogsslachtoffer en als zodanig in aanmerking is gebracht voor een invaliditeitsuitkering. Daarnaast is een medisch advies ingebracht van G.J. Laatsch, arts, van 3 maart 2015, die een dossieronderzoek heeft verricht.

2.4.

Het onder 2.3 genoemde rapport van Van den Brand heeft verweerder aanleiding gegeven appellante opnieuw te onderzoeken en wel door de arts R.J. Roelofs. Hij constateert dat er bij appellante dusdanige causale beperkingen zijn dat gesproken kan worden van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo en concludeert vervolgens dat het psychisch klachtenbeeld tussen juli 2013 (onderzoek van Gaines) en november 2014 (onderzoek van Van den Brand) kennelijk is verergerd.

2.5.

Verweerder heeft in de resultaten van het onderzoek van Roelofs geen aanleiding gezien het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt te wijzigen. Daarbij is in aanmerking genomen dat gelet op de objectieve medische gegevens pas vanaf november 2014 gesproken kan worden van blijvend causaal psychisch letsel.

2.6.

De bevindingen van Roelofs rechtvaardigen achteraf het vermoeden dat met het bestreden besluit onvoldoende recht is gedaan aan de bij appellante aanwezige beperkingen. De zeer korte periode gelegen tussen het bestreden besluit en het moment waarop de psychische klachten aantoonbaar invaliderend tot uiting zijn gekomen, te weten november 2014, doet vermoeden dat al vóór het bestreden besluit sprake is geweest van blijvende invaliditeit. De Raad ziet zich in zijn vermoeden gesteund door het verslag van behandelaar Teller, waarin aanwijzingen zijn te vinden van een verergering. Dat het verslag van Teller beknopt van aard is, doet daaraan niet af. In de omstandigheden van dit geval ziet de Raad dan ook aanleiding de ontstane twijfel in het voordeel van appellante uit te leggen.

2.7.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit geen stand kan houden en dient te worden vernietigd. De Raad zal zelf voorzien en bepalen dat bij appellante sprake is van blijvende psychische invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld en dat zij met ingang van de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend, te weten 1 maart 2013, recht heeft op de toeslag bedoeld in artikel 19 van de Wubo. Anders dan namens appellante is betoogd bestaat voor een eerdere ingangsdatum geen aanleiding nu niet is gebleken dat verweerder bij de afwijzing van de eerdere aanvraag verwijtbare fouten heeft gemaakt.

3. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.1.

De vraag of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van verzoeker gedurende de gehele procesgang.

3.2.

De redelijke termijn voor een procedure in twee instanties is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee-en-een-half- jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren.

3.3.

Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 7 november 2013 tot de datum van deze uitspraak zijn twee jaar en (ruim) 11 maanden verstreken. Er is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met (ruim) vijf maanden. Zoals ter zitting is besproken valt in de bestuurlijke fase een periode van acht maanden aan te wijzen die (de gemachtigde van) appellante heeft benut voor het indienen van de in het vooruitzicht gestelde (nadere) medische onderbouwing van het bezwaar. Het tijdsverloop dat daarmee is gemoeid wordt in de lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad (bijvoorbeeld het arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252) aangemerkt als aan (de gemachtigde van) appellante toerekenbaar gedrag. Rekening houdend met genoemde periode is van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

4. Tot slot is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden begroot op € 1.984,- wegens verleende rechtsbijstand en op € 299,47 voor de kosten van het rapport van Laatsch, totaal € 2.283,47.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 22 oktober 2014;

- bepaalt dat bij appellante sprake is van blijvende psychische invaliditeit in de zin van de

Wubo en dat aan haar met ingang van 1 maart 2013 de toeslag als bedoeld in artikel 19 van

de Wubo wordt toegekend;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.283,47;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M.T. Boerlage en

C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) S.W. Munneke

HD