Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3818

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
15/2805 NIOAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om IOAW-uitkering terecht afgewezen. Appellant heeft geen juiste en ook onvolledige informatie over zijn feitelijke woonadres verschaft. Het college heeft niet kunnen vaststellen waar hij wel feitelijk heeft verbleven. Appellant is dan ook tekortgeschoten in de op hem rustende inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2805 NIOAW

Datum uitspraak: 11 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 maart 2015, 14/9744 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. de Bluts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Bluts. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. P.C. van Aller.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft tot en met 26 mei 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Op 10 juni 2014 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend op grond van de Wet werk en bijstand. Hij heeft daarbij het adres [adres] als woonadres opgegeven (opgegeven adres). Hij huurt sinds 1 april 2010 een kamer op dit adres.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag hebben medewerkers van de afdeling Werk, Zorg en Inkomen van de gemeente Zoetermeer op 27 juni 2014 een huisbezoek afgelegd ter controle van de woon- en leefsituatie van appellant. Appellant heeft tijdens het huisbezoek een verklaring afgelegd. Appellant heeft onder meer verklaard dat hij drie of vier dagen bij zijn moeder in [gemeente 1] verbleef en drie dagen bij een vriendin in [gemeente 1] . Vanwege gezinsuitbreiding van medebewoners kon hij niet op het opgegeven adres verblijven. Hij heeft voorts verklaard dat hij vaak bij een ex-vriendin in [gemeente 2] was. Hij kon niet aangeven hoeveel dagen hij daar verbleef. Tijdens het huisbezoek kon appellant geen persoonlijke verzorgingsproducten laten zien. In de kamer die appellant had aangewezen als zijn kamer, werd een hond in een kooi aangetroffen. Appellant wist niet dat de hond daar verbleef en verklaarde dat het een tijd geleden was dat hij in de kamer was geweest. In de kledingkast lagen geen broeken en ondergoed. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 30 juni 2014.

1.3.

Bij besluit van 1 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 oktober 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant aangemerkt als een aanvraag om een uitkering op de grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en deze aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant onvoldoende gegevens over zijn woonsituatie heeft verstrekt, zodat kan niet worden vastgesteld of hij recht heeft op een uitkering. Uit het onderzoek naar de woonsituatie is gebleken dat appellant niet op het door hem opgegeven adres verbleef. De stelling dat hij voor zeer korte tijd en noodgedwongen op andere adressen dan het opgegeven adres moest verblijven, heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 10 juni 2014 tot en met 1 juli 2014.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om een

IAOW-uitkering. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn woon- en leefsituatie en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van een IOAW-uitkering.

4.4.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant onvolledige gegevens heeft verstrekt over zijn woonsituatie. Appellant heeft op het aanvraagformulier vermeld op het opgegeven adres te wonen. Tijdens het huisbezoek is echter gebleken dat appellant daar feitelijk niet verbleef. Appellant heeft dit niet betwist en heeft aangevoerd dat hij op verschillende adressen verbleef. Appellant heeft echter geen concrete gegevens verstrekt over de verschillende adressen en de duur van het verblijf aldaar.

4.5.

Gelet op wat in 4.4 is overwogen, heeft appellant geen juiste en ook onvolledige informatie over zijn feitelijke woonadres verschaft en heeft het college niet kunnen vaststellen waar hij wel feitelijk heeft verbleven. Appellant is dan ook tekortgeschoten in de op hem rustende inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, door gezinsuitbreiding van de medebewoners en de overlast van de hond genoodzaakt was voor een korte periode elders te verblijven, ontslaat hem niet van de verplichting ook in dat geval duidelijkheid te verschaffen over waar hij feitelijk verbleef. Dit heeft hij niet gedaan. Door geen openheid van zaken te geven, heeft het college niet kunnen vaststellen of het opgegeven adres ook, zoals appellant heeft aangevoerd, vanaf 2010 zijn feitelijke woonadres was en of het verblijf elders een tijdelijk karakter had.

4.6.

De beroepsgrond dat uit het toekennen van de uitkering met ingang van 4 september 2014 mag worden afgeleid dat appellant zijn woonadres niet heeft verplaatst, slaagt evenmin. Deze toekenning ziet immers op een andere periode en is gebaseerd op de bevindingen bij een huisbezoek op 10 oktober 2014, waarbij sprake was van een andere feitelijke woonsituatie.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en M. Hillen en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) I.G.A.H. Toma

HD