Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3810

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
16/794 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering, in die zin dat appellant is aangemerkt als thuiswonende studerende. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/794 WSF

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2015, 15/5654 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M. Noorlander, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Noorlander. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, met ingang van 1 oktober 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellant toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is voor het jaar 2015 voortgezet. Appellant stond van 18 september 2014 tot

29 mei 2015 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) onder het adres [adres] te [woonplaats] . Naast appellant stonden onder dit adres ingeschreven zijn oma, zijn oom en zijn broer.

1.2.1.

Op 22 januari 2015 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellant op dat moment in de brp stond ingeschreven om te controleren of hij op dat adres woonde. In de betreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van appellant opgenomen. Van het onderzoek is op 11 februari 2015 een rapport opgemaakt. Bij het rapport is de verklaring van appellant gevoegd.

1.2.2.

In het rapport is – onder meer – vermeld dat in de kamer die appellant als zijn kamer heeft getoond – onder meer – een eenpersoonsbed, een bureau, boekenkasten, wasmanden en een tas gevuld met kleding zijn aangetroffen. Volgens appellant is de kleding in de tas van zijn oom. Op de vraag waar zijn eigen kleding ligt, heeft appellant gewezen op een tas achter het bed. In die tas zaten vier broeken, drie T-shirts met lange mouwen, drie T-shirts met korte mouwen, een trui, een onderbroek, sokken en post gericht aan appellant en aan zijn broer. Voorts heeft appellant tegenover de controleurs verklaard dat er misschien nog wat ondergoed van hem in de was zit, dat hij een jas en twee paar schoenen beneden in de woning heeft liggen en dat de rest van zijn kleding, enkele broeken en T-shirts, op zijn ouderlijke adres ligt. Op de vraag waar zijn studiespullen liggen, heeft appellant verklaard dat deze voor een deel in zijn rugtas zitten en voor een deel op het bureau liggen. Voorts heeft appellant desgevraagd verklaard dat de spullen in de boekenkasten van zijn oom zijn. Ten slotte heeft appellant aan de controleurs zijn tandenborstel laten zien en heeft hij verklaard dat het scheermes, de zeep en de shampoo voor gezamenlijk gebruik zijn en hij een eigen sleutel van de woning heeft.

1.3.

De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van het onder 1.2.2 weergeven rapport bij besluit van 13 maart 2015 de met ingang van 1 oktober 2014 aan appellant toegekende studiefinanciering herzien in die zin dat appellant vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellant over de periode van oktober 2014 tot en met februari 2015 te veel betaalde bedrag van € 1.008,92 is daarbij van hem teruggevorderd. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 maart 2015 is bij besluit van 25 juni 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het rapport van de controleurs van 11 februari 2015 een voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de minister dat appellant op het moment van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in de kamer die als kamer van appellant is getoond, behoudens enkele studieboeken, geen tot appellant te herleiden zaken zijn aangetroffen, zoals administratie, post en/of kleding. Deze zaken zaten allemaal in de tas die appellant op het moment van het huisbezoek bij zich had. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen de verklaring van appellant dat hij naast de zeep en de shampoo ook het scheermes met zijn oom deelde. Ondanks vermeende geringe baardgroei en scheren door een kapper, wekt het gezamenlijke gebruik van een scheermes naar het oordeel van de rechtbank bevreemding.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak is uitgegaan van onjuiste feiten. Uit het rapport van 11 februari 2015 volgt dat er wel degelijk kleding en post van appellant op het brp-adres lagen. Deze spullen zaten niet in de tas die hij bij zich had, maar in de tas die al in de kamer aanwezig was.

3.2.

Voorts heeft appellant – onder meer – aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het rapport een voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van de minister dat appellant op het moment van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde. De minister heeft met de in het rapport weergegeven waarnemingen en bevindingen niet aannemelijk gemaakt dat appellant niet op dat adres woonde. Hierbij heeft appellant – onder meer – gewezen op de omstandigheid dat hij zelf aanwezig was ten tijde van de controle en dat hij kleding, post, studieboeken en verzorgingsspullen op het

brp-adres had, zodat naar zijn stelling enkel kan worden geconcludeerd dat hij wel op dat adres woonde.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Aangezien een herziening als hier aan de orde een belastend besluit is, moet de minister aannemelijk maken dat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarden die in artikel 1.5 van de Wsf 2000 zijn gesteld.

4.2.

Ter motivering van zijn standpunt dat appellant op het moment van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde, heeft de minister erop gewezen dat de kamer van appellant meer leek op een hobbykamer van de oom van appellant. Volgens de minister was het merendeel van de spullen in de kamer van de oom en niet van appellant. De enige kleding die van appellant is aangetroffen, was de magere hoeveelheid kleding in de tas. Persoonlijke spullen van appellant waren niet of nauwelijks aanwezig, aldus de minister. Met appellant is de Raad van oordeel dat de minister met deze motivering en het daaraan ten grondslag liggende rapport van 11 februari 2015 niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde. Uit het rapport volgt dat in de kamer die appellant als zijn kamer heeft getoond – onder meer – een eenpersoonsbed, kleding van appellant bedoeld voor dagelijks gebruik, aan hem gerichte post, enkele van zijn studieboeken en zijn tandenborstel zijn aangetroffen. Anders dan de minister heeft betoogd, zijn niet dusdanig weinig persoonlijke spullen aangetroffen dat aannemelijk is dat appellant niet op het brp-adres woonde. De omstandigheid dat in de kamer die als kamer van appellant is getoond ook veel spullen van de oom van appellant lagen, doet niet aan het voorgaande af. Appellant heeft er ter verklaring van deze omstandigheid op gewezen dat zijn kamer voorheen in gebruik was bij zijn oom en deze oom daarin zijn verzameling had ondergebracht. Nu het brp-adres het ouderlijke adres van zijn oom betreft, is deze verklaring niet onaannemelijk.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat de minister niet aan zijn in 4.1 omschreven bewijslast heeft voldaan.

4.4.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het besluit van 13 maart 2015 te herroepen, omdat daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat het gebrek kan worden hersteld.

5. Er is aanleiding de minister te veroordelen in de (proces)kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 496,- in bezwaar, op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 juni 2015;

  • -

    herroept het besluit van 13 maart 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 25 juni 2015;

  • -

    veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.480,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van in totaal € 169,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2016.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM